Lessen over inclusief onderwijs uit EHRM-zaak Dupin t. Frankrijk

Johan Lievens en Marie Spinoy gebruiken de zaak Dupin t. Frankrijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als ‘kapstok’ voor een ruimere bespreking van een aantal recente ontwikkelingen rond inclusief onderwijs. Zij bestuderen deze zaak in het licht van de bestaande inter- en supranationale standaarden. De auteurs staan ook stil bij mogelijke gevolgen voor Vlaanderen. De bijdrage is op 27 november 2019 verschenen in aflevering 411 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 27-11-2019

klas

De zaak Dupin t. Frankrijk

In Dupin gaat het om een moeder die voor haar kind (een jongen met een vorm van ASS) toegang tot een gewone school eist. De nationale autoriteiten verwijzen het kind echter door naar een instelling voor buitengewoon onderwijs. De drie rechters van het EHRM oordelen dat die aanpak het recht op onderwijs uit artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet schendt, nu Frankrijk kinderen met autisme voldoende van toegang tot onderwijs verzekert en de leerling uit deze zaak niet goed gedijde in een ‘inclusieve’ gewone school.

Het Hof als slechte leerling?

De beslissing valt op doordat een verouderd begrip van zowel het ‘handicap’ als ‘inclusie’ is gehanteerd. Het Hof geeft blijk van een medische opvatting van handicap terwijl recente internationale teksten de voorkeur geven aan het sociaal model. Inclusie lijkt door het Hof dan weer te worden verward met ‘integratie’, waarbij niet de school, maar de leerling zich moet zien aan te passen. Ook de vraag hoeveel gewicht de keuze van de ouders verdient, is relevant. Waar inclusief onderwijs niet volledig gerealiseerd is, is deze immers zeer relatief.

Aansluiting bij en afwijking van eerdere principes

Het Hof herhaalt de principiële voorkeur voor inclusief onderwijs. Het bevestigt ook dat de nationale autoriteiten best kunnen beoordelen welke redelijke aanpassingen gepast zijn voor kinderen met een beperking, zolang ze rekening houden met de bijzondere kwetsbaarheid van deze groep.

Op belangrijke punten wijkt de beslissing echter af van eerdere rechtspraak over inclusief onderwijs. Zo lijkt de toetsing van de toegang tot onderwijs minder stringent dan in eerdere gelijkaardige zaken. De rechters besteden ook opmerkelijk weinig aandacht aan het Verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH). De uitspraak contrasteert tot slot ook met eerdere veroordelingen van Frankrijk door het Europees Comité voor Sociale Rechten.

In deze zaak lijkt het Hof staten dus meer bewegingsruimte te gunnen. Of deze koerswijziging inzake inclusief onderwijs zich ook doorzet in verdere rechtspraak, valt af te wachten.

De auteurs

Johan Lievens is universitair docent staatsrecht en onderwijsrecht (VU Amsterdam) en hij is verbonden aan de Université de Namur en aan het Leuven Centre for Public Law (KU Leuven).

Marie Spinoy is doctoraatsonderzoeker aan het Leuven Centre for Public Law (KU Leuven).

lievens-johan
Johan Lievens
spinoy-marie
Marie Spinoy

 

 

  437