Klimaatrechtspraak is een blijver: de Nederlandse Urgenda-zaak

Op 20 december 2019 oordeelde de Nederlandse Hoge Raad dat Urgenda gelijk had: de rechter kan de overheid wel degelijk dwingen om meer te doen voor het klimaat. Hoe complex ook, klimaatverandering hoort thuis in de rechtbank. De bijdrage van Hendrik Schoukens en Anemoon Soete is op 26 februari 2020 verschenen in aflevering 417 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 25-02-2020

Against all odds

milieu

Er werd al snel geopperd dat er juridische fouten en korte eindjes in die uitspraak zaten. De algemene verwachting was dan ook dat de rechters van het Nederlandse Hof van Beroep de lagere rechtbank zouden terugfluiten. Het tegendeel gebeurde. Eind 2019 bevestigde de Hoge Raad dat Nederland verplicht is maatregelen te nemen die ertoe leiden dat de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen in 2020 met minimaal een kwart is verminderd ten opzichte van 1990. En dan ook nog eens op basis van redelijk ‘vage’ mensenrechtenbepalingen. Voor de Raad primeerde het beginsel van de effectieve rechtsbescherming.

Mensenrechten als sokkel

Eén van de meest belangwekkende passages uit het arrest van de Hoge Raad handelde over de reikwijdte van de positiefrechtelijke verplichtingen die men kan afleiden uit artikel 2 en 8 EVRM. De Raad besluit "(d)at de bescherming van de artikelen 2 en 8 EVRM […] niet alleen [ziet] op specifieke personen, maar ook op de samenleving of bevolking als geheel. Van dat laatste is onder meer sprake als het gaat om milieugevaren. Bij milieugevaren die een geheel gebied bedreigen, bieden de artikelen 2 en 8 EVRM bescherming aan de ingezetenen van dat gebied". De bedenking dat die schade niet ‘onmiddellijk’ plaatsvindt, is niet pertinent, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad benadrukt daarbij dat de zogenaamde ‘wide margin of appreciation’, die volgens het EHRM aan staten toekomt bij de keuze van maatregelen ter uitvoering van hun positieve verplichtingen, niet aan een strikte inhoudelijke toetsing bij de rechter in de weg hoeft te staan. Ongecontroleerde klimaatverandering bedreigt immers op termijn het voortbestaan van onze eigen menselijke soort.

Locke revisited?

Tegen deze achtergrond is het niet onlogisch dat de Hoge Raad ook het vermeende politieke karakter van de vordering niet aanvaard. De Nederlandse rechters spreken zich immers niet uit over welke maatregelen de overheid dient te treffen. Ook rechtstatelijk bekeken is dit niet onlogisch. Was het niet John Locke, die bij zijn leer in verband met het Sociaal Contract benadrukte dat de overdracht van welbepaalde rechten aan de staat niet volledig is maar slechts voorwaardelijk? De zogenaamde ‘onvervreemdbare’ rechten, die aan het individu kleven, zoals het recht op leven, kunnen niet worden uitgegomd door positief recht. In dat opzicht is de finale uitkomst van de Urgenda-zaak common sense. Is daarmee gezegd dat rechters klimaatvraagstuk gaan oplossen? Neen. Verre van. Bovendien liggen er ook uitspraken voor – onder meer in Ierland en Noorwegen – waar gelijkaardige klimaatzaken zijn afgewezen. Maar de Urgenda-zaak geeft wel een duidelijk marsorder. Dat kunnen – moeten? – rechters doen wanneer onvervreemdbare mensenrechten in het geding zijn.

De auteurs

Hendrik Schoukens is assistent verbonden aan de vakgroep Europees, publiek en internationaal recht (UGent) en advocaat.

Anemoon Soete is assistent verbonden aan de vakgroep Europees, publiek en internationaal recht (UGent).

schoukens-hendrik-2
Hendrik Schoukens
Anemoon Soete
Anemoon Soete
  268