Grondwettelijk Hof vernietigt deel van ‘una via-wet’

Op vraag van de ‘vzw Liga van belastingplichtigen’ vernietigt het Grondwettelijk Hof de artikelen 3, 4 en 14 van de “wet van 20 september 2012 tot instelling van het ‘una-via’-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscale penale boetes” (una via-wet).

Volgens deze artikelen wordt de opeisbaarheid van de fiscale geldboete of van de belastingverhoging uitgesproken tegen een belastingplichtige, geschorst vanaf het ogenblik dat het openbaar ministerie, tegen diezelfde belastingplichtige, de strafvordering instelt overeenkomstig artikel 460 van het WIB 1992 of artikel 74 van het Btw-Wetboek.

Steven Bellemans

'UNA VIA'-PRINCIPE

AangifteformulierDe gewestelijke directeur of de ambtenaar die hij aanwijst, kan overleggen met de procureur des Konings om de aanpak van concrete fiscale fraudedossiers te coördineren op basis van het ‘una via’-principe. Hierbij gaat men uit van het subsidiariteitsprincipe en het ‘non bis in idem’-beginsel: elk concreet dossier wordt afgehandeld ofwel door de fiscus zelf, met eventuele belastingverhogingen of administratieve boetes, ofwel strafrechtelijk met bijhorende strafrechtelijke sancties (een boete, verbeurdverklaring of celstraf).

Een dossier van fiscale fraude of een dossier waarbij de belastingplichtige volledige medewerking verleent aan de vestiging en de betaling van de ontdoken belasting, zal afgehandeld worden door de fiscus. Een dossier van ernstigere of echt georganiseerde fraude zal strafrechtelijk vervolgd worden door het openbaar ministerie (parket) met strafrechtelijke sancties.
Zodra een fraudedossier de strafrechtelijke weg volgt, kan de fiscus daar geen administratieve boetes of belastingverhogingen meer aan toevoegen.

Het Grondwettelijk Hof heeft geen probleem met deze algemene wettelijke regeling, ook al is niet uitdrukkelijk bepaald wie strafrechtelijk zal worden vervolgd en wie administratief zal worden gesanctioneerd. Het openbaar ministerie heeft immers altijd het recht om wie verdacht wordt van fiscale fraude, al dan niet te vervolgen.



Het Hof vernietigt wel de artikelen 3 , 4 en 14 van de ‘una via-wet’. Die artikelen bepalen dat de opeisbaarheid van de fiscale geldboete of van de belastingverhoging uitgesproken tegen een belastingplichtige wordt geschorst vanaf het ogenblik dat het openbaar ministerie, tegen diezelfde belastingplichtige, de strafvordering instelt overeenkomstig artikel 460 van het WIB 1992 of artikel 74 van het BTW-Wetboek.



Wanneer de onderzoeksgerechten, waarvoor de zaak aanhangig is gemaakt door het openbaar ministerie, een beschikking tot buitenvervolgingstelling aannemen, wordt een einde gemaakt aan de schorsing van de opeisbaarheid van de geldboeten en belastingverhogingen die tegen de belastingplichtige zijn uitgesproken.
Als de belastingplichtige wordt verwezen naar de correctionele rechtbank door het openbaar ministerie of wegens de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, worden de fiscale geldboeten en de belastingverhogingen definitief niet-opeisbaar.



SCHENDING ‘NON BIS IN IDEM’-BEGINSEL

Het Grondwettelijk Hof toetst de artikelen 3 , 4 en 14 van de ‘una via-wet’ aan het ‘non bis in idem’-beginsel.
Volgens dat beginsel mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds “overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land” bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.
Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verbiedt het beginsel non bis in idem “een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede ‘misdrijf’ voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, eraan ten grondslag liggen”.



Het Grondwettelijk Hof vindt dat de wetgever hier het ‘non bis in idem’-beginsel schendt.
Een belastingplichtige kan geen twee keer voor dezelfde feiten van fiscale fraude veroordeeld worden: het feit dat de fiscus eerst de ontdoken belasting, met eventuele belastingverhoging of administratieve boete terugvordert, waarna het openbaar ministerie de belastingplichtige voor diezelfde feiten een minnelijke schikking voorstelt, kan dus niet.
Het Hof vindt dat de administratieve sanctie van de fiscus al een strafrechtelijk karakter heeft. Een bijkomende strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten door het openbaar ministerie is daarom dus onwettig.



Het Grondwettelijk Hof vernietigt daarom de artikelen 3 , 4 en 14 van de una via-wet.



Grondwettelijk Hof. Arrest nr. 61/2014 van 3 april 2014.

Gepubliceerd op 11-04-2014

  533