Godsdienstvrijheid en deradicalisering

Op 27 februari 2018 deed het EHRM uitspraak over de vraag of de overheid de godsdienstige keuzevrijheid van een aanhanger van een nieuwe religieuze beweging geschonden heeft. Adriaan Overbeeke bestudeert de consequenties van dit arrest voor het deradicaliseringsbeleid waarbij de vraag naar de innerlijke geloofsontwikkeling centraal staat. Zijn bijdrage verscheen op 27 maart 2019 in aflevering 399 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

 

Gepubliceerd op 27-03-2019

gevangenis

Inleiding

De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging heeft een zichtbare, openbare kant. Het gaat dan om de vrijheid om de godsdienst in woord en daad te beleven – het forum externum. Die vrijheid is niet absoluut, maar kan op diverse manieren worden beperkt. De absolute kern van de godsdienstvrijheid – het forum internum – is echter gevrijwaard van overheidsinmenging. Incidenteel is het EHRM geconfronteerd met klachten waarin dit aspect aan de orde is.

In 2018 leidde dit tot een uitspraak waarin toch ruimte lijkt te worden gelaten aan beperkend overheidsoptreden, het arrest Mockutė t. Litouwen. In deze zaak werd de overheid onder meer verweten de godsdienstige keuzevrijheid van een aanhanger van een nieuwe religieuze beweging geschonden te hebben. Deze bijdrage gaat op dit arrest en onderzoekt de consequenties ervan voor een beleidsterrein waarin de vraag naar de innerlijke geloofsontwikkeling centraal staat, het deradicaliseringsbeleid.

EHRM en forum internum: inmengingsverbod

Eerst wordt eerst ingegaan op de oudere EHRM-jurisprudentie in verband met de religieuze keuzevrijheid. Die heeft als uitgangspunt dat het de overheid niet is toegestaan zich in de religieuze keuzes in te mengen. In 2007 wees het Hof nog uitdrukkelijk op dit bijzondere, onaantastbare, deel van de in artikel 9 §1 EVRM beschermde vrijheid. Volgens het Hof houdt dit in dat de staat niet kan voorschrijven wat een persoon geloven moet en deze evenmin kan dwingen zijn geloofsovertuigingen te wijzigen.

Mockutė t. Litouwen: inmengingsverbod doorbroken?

Vervolgens wordt ingegaan op de betekenis van het recente arrest Mockutė t. Litouwen. Daarin was de vraag aan de orde of het van overheidswege beïnvloeden van de religiekeuze in overeenstemming is met artikel 9 EVRM. De zaak betrof een onder dwang in een psychiatrische instelling verblijvende aanhanger van een als sektarisch aangemerkte beweging. Haar behandeling hield ook pogingen in haar af te brengen van de door haar gemaakte religieuze keuze.

Het EHRM stelt hier een schending van de godsdienstvrijheid vast, maar doet dit door de inmenging te beoordelen als een gewone beperking van de godsdienstvrijheid. Het laat daarbij ruimte aan overheidsoptreden maar meent dat de staat ter rechtvaardiging daarvan “overtuigende en dwingende redenen” moet aanvoeren en dat hem daarbij slechts een beperkte appreciatiemarge toekomt. Het Hof zet hier een stap te ver zet en doet zo op een problematische wijze afbreuk aan de door artikel 9 EVRM geboden bescherming van het forum internum.

Meer ruimte voor deradicalisering van gedetineerden?

De inmengingsruimte die het EHRM lijkt te verschaffen heeft wellicht repercussies voor het deradicaliseringsbeleid in detentie-instellingen. In het slotgedeelte van de bijdrage wordt nagegaan welke grenzen de overheid op dat vlak te respecteren heeft, met name waar het overheidsbeleid islamitische bedienaren van de eredienst inzet ten behoeve van een succesvolle deradicalisering van islamitische gedetineerden.

De auteurs

Adriaan Overbeeke is verbonden aan Vrije Universiteit Amsterdam en Universiteit Antwerpen.

Adriaan Overbeeke
Adriaan Overbeeke
  243