Deontologie voor mandatarissen in het Gemeentedecreet

Kurt StasIn 2005 werd het Gemeentedecreet uitgevaardigd. Op meerdere plaatsen werd voorzien in een 'deontologische code'. Zo voor de gemeenteraad (artikel 41), voor het college van burgemeester en schepenen (artikel 56) en voor het gemeentepersoneel (artikel 112). Kurt Stas bespreekt deze deontologische code in een bijdrage gepubliceerd in aflevering 2016/2 van het Tijdschrift voor Gemeenterecht (T.Gem.). Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Hoewel er interessante aspecten over de deontologische code voor het gemeentepersoneel zijn, behandelt het artikel alleen de deontologische code voor mandatarissen omdat dit voornamelijk onontgonnen terrein is.

In dit artikel wordt eerst de totstandkoming beschreven van de teksten waarmee de deontologische code werd ingevoerd in het Gemeentedecreet en wordt even gekeken over de taalgrens naar Wallonië en Brussel; nadien worden de resultaten weergegeven van een enquête bij de gemeentebesturen. Die brachten informatie aan het licht over de inhoud van de deontologische code in de gemeenten. Die enquête leverde het vermoeden dat vele deontologische codes gebaseerd zijn op een model van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). In een derde deel worden de problemen met de deontologische code en de deontologische commissie die op de naleving van de code moet toezien, besproken.

Het heeft natuurlijk weinig zin om een deontologische code op te stellen wanneer zou blijken dat het juridisch kader waarin deze deontologische code moet worden toegepast ontoereikend is. Dit geeft aanleiding tot enkele onderzoeksvragen: in welke mate is deze code tegenwerpelijk aan de bestemmelingen; op welke wijze kan deze code gehandhaafd worden door een hogere overheid dan wel de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen; welke sancties kunnen worden opgelegd en wat zijn de beroepsmogelijkheden tegen deze sancties?

Om de juridische werkelijkheid de toetsen aan de praktijk werden in oktober 2014 aan alle 308 Vlaamse steden en gemeenten enkele vragen gestuurd met betrekking tot hun deontologische code:

  • heeft de gemeente deze deontologische code opgesteld?
  • maakt de gemeente gebruik van een deontologische commissie om inbreuken op deze code te beoordelen?
  • en tot slot in welke sanctie(s) voorziet deze code in het geval een inbreuk wordt vastgesteld?

Deze cijfergegevens worden ter illustratie vermeld.

Uit deze vragenronde blijkt dat de bepaalde steden en gemeenten een beroep doen op een deontologische commissie om de deontologische code te handhaven. Deze vaststelling doet meerdere onderzoeksvragen rijzen. Zo kan gedacht worden aan de volgende vragen: op welke wijze moet deze samengesteld zijn, wat is haar beslissingsbevoegdheid, wat is haar bevoegdheid ten aanzien van de 'vervolgde' persoon, is deze commissie openbaar, zijn haar verslagen openbaar, wat is de bewijswaarde van haar bevindingen en hoe gebeurt de stemming in deze commissie?

Uit de analyse blijkt dat de deontologische code en de eruit voortvloeiende commissie op bepaalde vlakken een papieren tijger zonder klauwen is.

De opgestelde deontologische code is geenszins afdwingbaar ten opzichte van de raadsleden. Bovendien is noch de hogere overheid, noch de gemeenteraad bevoegd om enige sanctie ten opzichte van raadsleden uit te spreken. Dit reikt zo ver dat zij zelfs niet kunnen beslissen dat de feiten bewezen worden verklaard. Indien een raadslid beroep instelt bij de toezichthoudende overheid kan dit in mogelijk leiden tot een schorsing en vernietiging van de genomen beslissing, nadat natuurlijk eerst de juridische draagwijdte van de beslissing is bepaald. Het is hoogst onzeker of elke beslissing aan het bestuurlijk toezicht is onderworpen omdat dit afhangt van drie factoren. De eerste factor heeft betrekking op de vraag welk orgaan een oordeel heeft geveld, vervolgens, als tweede factor of het wel degelijk om een beslissing gaat, en tot slot moet, als derde factor, de concrete draagwijdte van deze beslissing worden nagegaan.

Ook moet worden benadrukt dat het instellen van een tuchtoverheid enkel kan door of krachtens wet. Een tuchtoverheid die door middel van een deontologische code wordt ingesteld, lijkt dan ook zeer twijfelachtig. Ook de mogelijkheid om via een overeenkomst de mandatarissen te onderwerpen aan deze deontologische code is zeer twijfelachtig. De gemeenteraad zou dan optreden als privaatrechtelijke tuchtrechter. Dit kan niet worden aanvaard omdat het steeds gaat om mandatarissen die door het volk zijn verkozen.

Enkel het gemeentedecreet kan voorzien in een vorm van toezicht door een ‘hogere’ overheid. Bij gebrek aan decretale bepaling, rijst de vraag waar naartoe met gedragssturende regels die geen positief rechtelijke regels zijn. Dat is een vraag waarop de Vlaamse decreetgever een antwoord moet bieden.

De verschillende ontworpen deontologische codes van de steden en gemeenten vertonen ook enkele problemen.

De commissies die in deze codes werden ingericht kunnen immers niet:
 

  • enige tucht- of ordemaatregel opleggen;
  • gemengd samengesteld worden door middel van de aanwezigheid van OCMW-raadsleden;
  • bindende beslissingen nemen, maar enkel adviseren over de wijze waarop de deontologische code kan worden geïnterpreteerd;
  • enig standpunt innemen ten opzichte van een gemeenteraadslid, en de burgemeester of de schepenen (ook al zijn zij in ondergeschikte orde gemeenteraadslid);
  • in besloten vergadering plaatsvinden;
  • geheim stemmen;
  • het verslag geheim houden.


Vermoedelijk is deze juridische stand van zaken niet zo erg omdat veel problemen allicht kunnen worden opgelost door een ‘vaderlijk gesprek’ met het betrokken raadslid.

Uiteindelijk is het een vaststelling dat enkel het gemeenteraadslid de beslissing kan nemen om zijn functie neer te leggen. Als de Vlaamse decreetgever meent dat dit of een andere sanctie ook moet afdwongen of opgelegd kunnen worden, dan is er, zoals reeds vermeld, werk aan de winkel.



De auteur is advocaat.

Bron: Kurt STAS, "Deontologie voor mandatarissen in het Gemeentedecreet: Rome is niet op een dag gebouwd", T.Gem. 2016/2, 8-111.

De volledige tekst vindt u in het Tijdschrift voor Gemeenterecht (T.Gem.). Klik hier voor meer informatie over het Tijdschrift voor Gemeenterecht (T.Gem.), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

Op Jura vindt u meer rechtsleer over deontologie.


Gepubliceerd op 10-08-2016

  541