De federale GAS-wet en het recht op spelen

Kindt ElineEline Kindt gaat in op de relatie tussen de federale GAS-wet en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Meer specifiek spitst haar bijdrage zich toe op het recht op spelen van kinderen, zoals bepaald wordt in artikel 31 van het IVRK. Haar bijdage is verschenen in het Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Het GAS-systeem werd in het leven geroepen in 1999, als middel om een meer holistisch nationaal veiligheidsbeleid op poten te zetten dat ook het lokale bestuursniveau omvat. GAS-boetes moesten daartoe een antwoord bieden op de straffeloosheid van gedragingen die aangemerkt worden als openbare overlast. Volgend op de amendementen van 2004 en 2013 werd het gedrag van adolescenten, oorspronkelijk vanaf 16 en daarna vanaf 14 jaar, ook binnen het toepassingsgebied van dit systeem gebracht dat in 2013 onder een aparte wet gebracht werd. 

De federale wetgever heeft de lokale besturen carte blanche gegeven om het begrip 'openbare overlast' te interpreteren in overeenstemming met hun eigen gemeentelijke context. Deze vrijheid is geheel te verantwoorden in het kader van de gemeentelijke autonomie en het subsidiariteitsbeginsel, die beiden erkennen dat de gemeente het best geplaatst is om te bepalen wat voor overlast zorgt in hun grondgebied. Deze vrijheid heeft er evenwel toe geleid dat sommige gemeenten in de praktijk regels hebben opgenomen die het recht op spelen van kinderen limiteren.

Dit artikel gaat bijgevolg in op de relatie tussen de federale GAS-wet en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Meer specifiek spitst het artikel zich toe op het recht op spelen van kinderen, zoals bepaald wordt in artikel 31 van het IVRK. Het recht op spelen is op het eerste gezicht niet het meest primordiale mensenrecht dat mogelijk geraakt wordt door het GAS-systeem. Het is evenwel een zeer belangrijk recht voor kinderen. Niet alleen zijzelf beschouwen dit als een van hun meest belangrijke rechten, het VN Kinderrechtencomité treedt hen ten stelligste bij dat spel een vitaal element is voor de ontwikkeling van een kind tot een in de maatschappij goed functionerende volwassene. Dit artikel stelt zich bijgevolg de vraag of de limitatie van het recht op spelen van kinderen legitiem kan plaatsgrijpen op grond van de GAS-wet. Er wordt onderzocht of het begrip van de openbare overlast in de GAS-wet een legitieme limiteringsgrond inhoudt voor het recht op spelen van kinderen. Als dat niet zo blijkt te zijn, dringt de vraag zich namelijk op of er grenzen gesteld moeten worden aan deze beslissingsvrijheid van de gemeentes.

Daartoe wordt in een eerste deel dieper ingegaan op wat het recht op spelen precies inhoudt, wat het belang en de aard van het recht is en welke verplichtingen verdragsstaten hebben in deze. In een tweede deel worden de GAS-wet en het begrip van de openbare overlast bekeken binnen de Belgische interne rechtsorde. Ten derde wordt het concept van de openbare overlast dan getoetst aan de internationale mensenrechten om zo tot een antwoord te komen op de vraag of de GAS-wet legitiem gebruikt kan worden om het recht op spelen te gaan limiteren.


 


Bron: Eline KINDT, “De federale GAS-wet en het recht op spelen – een onderzoek naar de overeenstemming van het begrip van de openbare overlast met de internationale mensenrechten”, TBP 2015, afl. 7, 368-383.

De volledige tekst vindt u in het Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht. Klik hier voor meer informatie over het Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

Op Jura vindt u meer rechtsleer over de GAS-wet.


Gepubliceerd op 06-10-2015

  79