Europees openbaar ministerie

Vanessa FranssenEef VandebroekDe Europese Commissie lanceerde in 2013 een voorstel tot verordening voor de oprichting van een Europees openbaar ministerie. Vanessa Franssen en Eef Vandebroek houden in aflevering 305 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) van 25 juni 2014 dit Commissievoorstel en de reacties daarop kritisch tegen het licht. Ze bespreken de belangrijkste aandachtspunten in de lopende onderhandelingen en werpen een blik op de toekomst. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Lees het volledige artikel op Jura.

De Europese Commissie is vastberaden de strijd tegen EU-fraude op te drijven. Momenteel staan de lidstaten zelf in voor de strafrechtelijke aanpak van EU-fraude, maar praktijk leert dat zulke zaken vaak geen nationale vervolgingsprioriteit vormen. Daarom lanceerde de Commissie vorige zomer een voorstel tot verordening (‘Commissievoorstel’) voor de oprichting van een nieuw EU-orgaan, een Europees openbaar ministerie (‘EOM’). Het EOM zou instaan voor de vervolging van EU-fraude in de hele Unie en de plaats innemen van nationale vervolgingsinstanties.

De idee van een Europese vervolgingsinstantie is niet nieuw, maar ligt erg gevoelig bij de lidstaten. Het Commissievoorstel kreeg dan ook stevige tegenkanting. Toch lijken veel lidstaten overtuigd van de nood aan betere handhaving. De hamvraag is hoe dat doel het best kan worden bereikt.

Pleidooi voor een ‘federale’ aanpak
De Commissie bepleit de oprichting van een nieuw EU-orgaan met unieke gedecentraliseerde structuur. Op centraal niveau treft men één Europese openbare aanklager aan, bijgestaan door substituten. Deze Europese openbare aanklager stuurt strafonderzoeken en -vervolgingen aan via gedelegeerde Europese aanklagers op nationaal niveau. Deze laatsten zijn nationale procureurs met een EU-petje.

Het EOM zou exclusief bevoegd zijn voor alle misdrijven tegen de financiële belangen van de Unie, zoals omschreven in een parallel voorstel van richtlijn, uitgezonderd BTW-fraude. Daarnaast zou het EOM zaken kunnen vervolgen die onlosmakelijk verbonden zijn met EU-fraude, mits die fraude 'dominant' is.

Hoewel het EOM een EU-orgaan is, zouden de gedelegeerde Europese aanklagers vooral nationaal strafprocesrecht toepassen en onderworpen zijn aan nationale rechterlijke controle. Het Commissievoorstel bevat geen uitgewerkte procedureregels, enkel wat minimumvereisten. Bewijsmateriaal wordt verzameld naar nationaal recht, maar zou in alle lidstaten geldig zijn.

Waslijst aan kritieken
Lidstaten zien in de exclusieve bevoegdheid van het EOM voor EU-fraude een bedreiging voor hun soevereiniteit en bekritiseren de macht van de centrale Europese openbare aanklager. Academici zijn bezorgd over de voorgestelde methode van bewijsgaring, verschillen in nationale proceswaarborgen en het risico op forum shopping. Ook de vage afbakening van de bevoegdheid van het EOM en de ambivalente positie van de gedelegeerde Europese aanklagers roepen vragen op.

In oktober 2013 trokken de nationale parlementen een (zeldzame) ‘gele kaart’ wegens schending van het subsidiariteitsbeginsel en dwongen zo de Commissie haar voorstel te herbekijken. De Commissie reageerde echter sussend en verwees de nationale bekommernissen naar de onderhandelingstafel.

Praten helpt?
De voorbije maanden heeft het Griekse voorzitterschap van de Raad getracht het Commissievoorstel via intensieve onderhandelingen bij te spijkeren, in de hoop alsnog een aanvaardbaar compromis te bereiken. Maar het spel is nog niet gespeeld. Er wachten nog tal van knelpunten – brood op de Italiaanse voorzittersplank vanaf 1 juli 2014. De aanvankelijke ambitie van een EU-wijde federale aanpak lijkt afgezwakt; men hoopt nu vooral zoveel mogelijk lidstaten aan boord te krijgen. Afwachten of dat lukt.


Vanessa Franssen is plaatsvervangend docent Instituut voor strafrecht (KU Leuven), post-doctoraal onderzoeker (University of Luxembourg) en advocaat.

Eef Vandebroek is assistent en doctoranda Instituut voor strafrecht (KU Leuven) en gastdocent (UHasselt).

Bron: Vanessa FRANSSEN en Eef VANDEBROEK, “Europees openbaar ministerie”, NjW 2014, afl. 305, 530-535.

De volledige tekst vindt u in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW). Klik hier voor meer informatie over het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW), alsook voor de abonnementsvoorwaarden. 

NjW kan ook gelezen worden op smartphone en tablet. Wie al een abonnement heeft op de papieren versie geniet van een voordeeltarief. Klik hier voor meer informatie over NjW mobiel. 

>>> Als u nu een jaarabonnement neemt op NjW ontvangt u gratis het volledige artikel van Vanessa Franssen en Eef Vandebroek in pdf-formaat. Zend hiervoor een e-mail met vermelding van alle vereiste contactgegevens voor de levering en facturatie van uw abonnement naar: njw@wolterskluwer.be.

De website van NjW: www.e-njw.be

Op Jura vindt u meer rechtsleer over het Europees openbaar ministerie.



Gepubliceerd op 25-06-2014

  165