Tweedekansdoctrine binnen het nieuwe insolventierecht

Boek XX van het Wetboek van Economisch Recht heeft het Belgisch insolventielandschap sinds 1 mei 2018 grondig gewijzigd. Niet alleen de wet betreffende de continuïteit van ondernemingen van 2009, maar ook de Faillissementswet van 1997 wordt aanzienlijk hervormd. Fay Reynaert zet de belangrijkste implicaties van deze wetswijziging uiteen, waarbij de focus ligt op de doelstelling van de wetgever. Haar bijdrage verscheen in het Internationaal tijdschrift voor ondernemingsrecht (DAOR 2020, afl. 3, 19-33).

Gepubliceerd op 18-11-2020

Boek XX van het Wetboek van Economisch Recht heeft het Belgisch insolventielandschap sinds 1 mei 2018 grondig gewijzigd. Niet alleen de wet betreffende de continuïteit van ondernemingen van 2009, maar ook de Faillissementswet van 1997 wordt aanzienlijk hervormd. Over dat nieuwe insolventierecht is dan ook al heel wat inkt gevloeid, vooral wat het uitgebreide toepassingsgebied betreft. Ook al komen de andere wijzigingen minder aan bod in de rechtsleer, toch is het belang ervan niet te onderschatten.

man-in-brown-suit-jacket-3782199

Daarom zet deze bijdrage verschenen in het Internationaal tijdschrift voor ondernemingsrecht (DAOR) de belangrijkste implicaties van deze wetswijziging uiteen, waarbij de focus ligt op de doelstelling van de wetgever. Boek XX van het Wetboek van Economisch Recht is tot stand gebracht met de intentie om een tweede kans te bieden aan de schuldenaar. Die laatste is immers in een financieel lastig circuit terecht gekomen, waarbij de wetgever het noodzakelijk acht dat de maatschappij hem er opnieuw bovenop helpt.

De centrale vraag van deze bijdrage luidt dan ook als volgt: wordt de doelstelling van de wetgever bereikt via de nieuwe insolventiewetgeving? De focus wordt daarbij gelegd op één specifieke vernieuwing, namelijk de invoering van de ‘kwijtschelding’ in het insolventierecht. Dat regime maakt een einde aan de ‘verschoonbaarheid’ die gold onder de Faillissementswet van 1997.

Met de kwijtschelding voorziet boek XX van het Wetboek van Economisch Recht in een automatische kwijtschelding van de restschulden van de schuldenaar na afloop van de insolventieprocedure. Dat zou de snelle doorstart van de gefailleerde moeten bevorderen. Naast de gefailleerde zelf kunnen ook zijn partner en zijn kosteloze persoonlijke zekerheidssteller(s) van de kwijtschelding genieten. Dit allemaal om het voor de gefailleerde mogelijk te maken een nieuwe (zelfstandige) activiteit op te starten en het leven opnieuw in handen te nemen.

Toch zal uit deze bijdrage blijken dat niet alles zo rooskleurig mag worden voorgesteld. Hoewel de wetgever met goede intenties handelde, laten sommige wijzigingen te wensen over. Op bepaalde punten voorziet boek XX van het Wetboek van Economisch Recht in een daling van de bescherming van de gefailleerde, zijn partner en zijn kosteloze zekerheidssteller, terwijl het op andere vlakken te ver gaat en niet meer voorziet in een degelijke evenwichtsoefening tussen de belangen van de gefailleerde enerzijds en de rechten van de schuldeiser(s) anderzijds. Gelet op de recente datum van de inwerkingtreding, blijft het uiteraard afwachten hoe de hoven en de rechtbanken in de praktijk met de vernieuwingen zullen omgaan.

Doorheen de bijdrage worden de vernieuwde regelen toegepast op een fictief voorbeeld. Op die manier worden de regels meer tastbaar voor de lezer.

De auteur

fr-kleur

Fay Raeynaert is advocaat.

  1144