Remuneratie van de curator

Frederik De Leo en Dennis Cardinaels behandelen een aspect van de thematiek van bankruptcy governance, namelijk de invloed van de remuneratie van de curator op de wedersamenstelling van de boedel. Hun bijdrage verscheen in afl. 367 van het Nieuw juridisch Weekblad (NjW) van 4 oktober 2017.

Gepubliceerd op 04-10-2017

Een korte beschikking als herberg voor een fundamenteel vraagstuk

Maakt de curator bij de vereffening van een insolventieboedel aanspraak op kosteloze rechtspleging krachtens artikel 667 van het Gerechtelijk Wetboek? Deze rechtsvraag, door het bureau voor rechtsbijstand op 13 januari 2016 beantwoord met een eenvoudige 'nee', herbergt een fundamenteel vraagstuk: wordt de curator adequaat vergoed voor de inspanningen die hij levert en de kosten die hij maakt bij de wedersamenstelling van de boedel? Een ontkennend antwoord op die vraag zou kunnen leiden tot een pervers resultaat, namelijk een curator die passiever blijft dan wenselijk is.


Problemen van de huidige remuneratieregelgeving

Het bureau voor rechtsbijstand oordeelde in voornoemde beschikking dat “het de faling toekomt om in te schatten welke kosten al dan niet verantwoord zijn voor te schieten en het risico dienaangaande te dragen”. Hoewel dat een juist uitgangspunt is, tonen we via een positieve rechtseconomische analyse aan dat de huidige remuneratieregelgeving van de curator het risico soms alloceert aan de curator en niet aan de 'faling'. Hoewel aangetoond wordt dat de curator (als agent) in het belang van de gezamenlijke schuldeisers in de boedel (als principaal) zou moeten handelen, schakelt voornoemde risico-allocatie het gedrag van de curator niet steeds gelijk met de belangen van de schuldeisers in de boedel. De problematiek is het scherpst bij:

  • Boedels bestaande uit voldoende liquide activa om de vereffening te financieren en met een waardevolle aansprakelijkheidsvordering of functioneel gelijke (Boedels type 1);
  • Boedels zonder voldoende liquide activa, maar met een waardevolle aansprakelijkheidsvordering of functioneel gelijke (Boedels type 2).


Aanbevelingen voor de beleidsmaker

Via een drievoudige benadering (rechtseconomie, interne en externe rechtsvergelijking) hebben we een aanzet gegeven voor de zoektocht naar potentiële remedies voor de problematiek bij boedels type 1 en 2.

  • Bij Boedels type 1 leidt de drievoudige benadering tot éénzelfde oplossing: een schuldeiserscomité dat in beginsel beslissingsbevoegd is over de remuneratie van de curator.
  • Bij boedels type 2 zou voornoemde oplossing, gelet op het gebrek aan voldoende liquide activa in deze boedels, leiden tot de problematiek van moral hazard in hoofde van de schuldeisers. Bijgevolg moeten we zoeken naar een andere oplossing, hetgeen we vinden via een analyse van boedelfinancieringstechnieken. Daarbij komen volgende actoren als potentiële 'insolventieverzekeraar' aan bod: de curator, schuldeisers in 'rijkere' boedels, schuldeisers in 'armere' boedels, advocaten, private verzekeraars, cessionarissen van schuldvorderingen, een fonds (aandeelhouders) en de staat. O.i. zou een beroep op een curatorenfonds evenals een op Nederlandse leest geschoeid systeem van overheidsfinanciering een oplossing kunnen bieden. Geen van beide oplossingen is echter zaligmakend.

 


Bron: Frederik DE LEO en Dennis CARDINAELS, “Remuneratie curator. Het bureau voor rechtsbijstand is geen insolventieverzekeraar, maar wie dan wel?”, NjW 2017, afl. 367, 566-576.

  435