Nieuwe regels voor overeenkomsten tussen ondernemingen

Fabrice Mourlon Beernaert en Tom Wera leggen de nieuwe regels uit die een wet van 4 april 2019 in het Wetboek van Economisch Recht ingevoegd heeft. Die regels hebben betrekking op overeenkomsten tussen ondernemingen en zodoende ook op de tussen hen gehanteerde (algemene) voorwaarden. 

Gepubliceerd op 09-12-2019

Een Wet van 4 april 2019 heeft in het Wetboek van Economisch Recht een heel aantal nieuwe regels ingevoegd die betrekking hebben op overeenkomsten tussen ondernemingen en zodoende ook op de tussen hen gehanteerde (algemene) voorwaarden. Het gaat veelal om de uitbreiding van bepalingen die voorheen uitsluitend golden in de verhouding tussen een onderneming en een consument (B2C) naar eveneens de verhouding tussen ondernemingen onderling (B2B).

Opvallend is vast te stellen dat de nieuwe regels gericht zijn tot alle ondernemingen, ongeacht hun grootte (en dus afgezien van het feit of het gaat om een KMO).

overeenkomst_onderneming

Deze nieuwe regels zijn opgedeeld in drie luiken die elk op een afzonderlijk tijdstip in werking treden:

  1. De onrechtmatige contractuele bedingen, die in werking treden op 1 december 2020;
  2. Het misbruik van economische afhankelijkheid, dat in werking treedt op 1 juni 2020;
  3. De oneerlijke marktpraktijken, die in werking zijn getreden op 1 september 2019.

Bijgevolg is inmiddels tussen ondernemingen reeds met een gedeelte van de nieuwe economische regelgeving (luik 3.) rekening te houden.

Hierna worden de voornaamste bepalingen luik per luik kort toegelicht.

1. De onrechtmatige contractuele bedingen (geldend vanaf 1 december 2020)

De regeling inzake onrechtmatige contractuele bedingen heeft betrekking op clausules in overeenkomsten die als ongeoorloofd worden beschouwd.

Als algemene regel zal daarbij voorzien worden dat geen enkel beding in een overeenkomst tussen ondernemingen een kennelijk onevenwicht mag scheppen tussen de rechten en plichten van de partijen (art. VI.91/3 WER).

Daarnaast zal er gewerkt worden met twee lijsten van specifieke clausules die als ongeoorloofd worden beschouwd: een zogenaamde zwarte lijst van bedingen die sowieso onrechtmatig zijn, waarover geen tegenbewijs kan worden geleverd, en een zogenaamde grijze lijst van bedingen die worden vermoed onrechtmatig te zijn, maar waaromtrent wel tegenbewijs kan worden geleverd.

In de zogenaamde zwarte lijst zijn 4 onrechtmatige clausules opgenomen, die (samengevat) neerkomen op (art. VI.91/4 WER):

  • Een onherroepelijke verbintenis voor de ene partij en een discretionaire uitvoering van prestaties voor de andere partij;
  • Het eenzijdige recht om een beding te interpreteren;
  • De afstand van verhaal ingeval van betwisting;
  • De onweerlegbare kennisname/aanvaarding van een beding zonder daadwerkelijke mogelijkheid tot kennisname.

In de zogenaamde grijze lijst zijn 8 onrechtmatige clausules opgenomen, die (samengevat) neerkomen op (art. VI.91/5 WER):

  • Het recht om eenzijdig en zonder geldige reden de prijs, kenmerken of voorwaarden te wijzigen;
  • De stilzwijgende verlening/vernieuwing van een overeenkomst van bepaalde duur zonder redelijke opzegtermijn;
  • De verschuiving van het economische risico zonder tegenprestatie;
  • De beperking van de rechten ingeval van wanprestatie of gebrekkige uitvoering;
  • De verbintenis zonder redelijke opzegtermijn;
  • De uitsluiting van aansprakelijkheid voor opzet, zware fout of niet-uitvoering van essentiële verbintenissen;
  • De beperking van de bewijsmiddelen;
  • De schadevergoedingsbedragen die kennelijk onevenredig zijn met het geleden nadeel.

De overtreding van de voorschriften inzake onrechtmatige contractuele bedingen zal kunnen leiden tot de vernietiging van het (de) betrokken beding(en).

2. Het misbruik van economische afhankelijkheid (geldend vanaf 1 juni 2020)

Dit luik handelt in wezen om een nieuwe mededingingsregel.

Zo zal het verboden zijn om misbruik te maken van een positie van economische afhankelijkheid van een andere onderneming waardoor de mededinging op de betrokken Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan kan worden aangetast (art. IV.2/1 WER).

De miskenning van bepalingen uit dit luik zal kunnen leiden tot een geldboete (maximaal 2% van de omzet van de betrokken onderneming) opgelegd door de Belgische Mededingingsautoriteit alsook tot schadevergoedingen, stakingsvorderingen of nietigverklaringen.

3. De oneerlijke marktpraktijken (geldend sedert 1 september 2019)

Alvast dienen ondernemingen zich tijdens alle fases van een overeenkomst (totstandkoming, uitvoering en beëindiging) met een andere ondernemingen te onthouden van misleidende en agressieve marktpraktijken, die de wetgever in hun onderlinge verhouding voortaan ook als een oneerlijke marktpraktijk heeft opgevat.

Een misleidende markpraktijk kan worden omschreven als het geval waarbij door onjuiste informatie een tegenpartij wordt bedrogen (art. VI.105 WER).

Een agressieve markpraktijk kan worden omschreven als het geval waarbij door intimidatie de handelingsvrijheid van een tegenpartij wordt beperkt (art. VI.109 WER).

In tegenstelling tot wat het geval is ten aanzien van consumenten heeft de wetgever geen lijsten van misleidende of agressieve marktpraktijken uitgewerkt.

Tegen het stellen van oneerlijke marktpraktijken, waaronder thans ook misleidende of agressieve marktpraktijken tussen ondernemingen sorteren, wordt veelal opgetreden door middel van een vordering tot staking.

De auteurs

Fabrice Mourlon Beernaert is advocaat aan de Balie te Brussel (als vennoot bij het kantoor LMBD), assistent aan de Université Libre de Bruxelles en plaatsvervangend rechter bij de Franstalige Ondernemingsrechtbank Brussel.

Tom Wera is advocaat aan de Balie te Brussel (als senior medewerker bij het kantoor LMBD) en professor aan de Vrije Universiteit Brussel.

mourlon-beernaert-fabrice
Fabrice Mourlon Beernaert
wera-tom
Tom Wera

 

 

  537