Merkafbakeningsovereenkomsten in EU-mededingingsrecht

Ottoy EmmaEmma Ottoy onderzoekt in het tijdschrift IRDI (nr. 2014/3) in welke mate afbakeningsovereenkomsten met betrekking tot de rechten op een merk verenigbaar zijn met het EU-mededingingsrecht van artikel 101 VWEU. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Lees het volledige artikel op Jura.

Als twee ondernemingen een overeenstemmend teken hebben als merk, kan dit verwarring veroorzaken voor de klanten wat betreft bijvoorbeeld de (commerciële) herkomst van de producten. Om dit risico uit te sluiten, kunnen partijen een merkafbakeningsovereenkomst sluiten, waarin bepaald wordt op welke manier de respectievelijke merken mogen gebruikt worden. Deze afspraken kunnen echter problematisch zijn vanuit een mededingingsperspectief, aangezien deze afbakeningsovereenkomsten mogelijks de markt verdelen.

Belangrijkste clausules
Uit de meest bekende en geciteerde zaken in verband met merkafbakeningsovereenkomsten, worden de vijf meest voorkomende clausules gedestilleerd die in een merkafbakeningsovereenkomst kunnen voorkomen. Deze vijf clausules worden elk besproken en er wordt onderzocht in welke mate zij door de Europese Commissie en het Hof van Justitie als verenigbaar met het Europees mededingingsrecht worden beschouwd. Clausules die ofwel een afbakening van de geografische markten ofwel van de productenmarkten inhielden, zullen enkel aanvaard worden wanneer zij de parallelimport ongemoeid laten. Zij zijn bijgevolg niet onrechtmatig per se. Daarentegen, clausules die het vrij verkeer van goederen ongemoeid laten, worden wel aanvaard. Sterker nog, het Hof moedigt ondernemingen aan voor deze oplossingen te kiezen.

Beoordelingsfactoren
Vervolgens wordt onderzocht welke factoren een mogelijke invloed hebben op de beoordeling van de aanvaardbaarheid van merkafbakeningsovereenkomsten door de Commissie en het Hof van Justitie. Op basis van het onderzoek worden vijf verschillende elementen opgelijst die een invloed uitoefenen op deze beoordeling. Zowel de beweegredenen achter het sluiten van de overeenkomst, als de mate van het verwarringsrisico, hebben een duidelijke invloed op het al dan niet in overeenstemming zijn met de mededinging. Ook zal het steeds nodig zijn te kiezen voor de minst restrictieve oplossing. Wanneer de overeenkomst vereist dat er onderscheidend vermogen en goodwill moet worden opgebouwd met een ander merk dan het huidige, zal de Commissie meer geneigd zijn om de overeenkomst niet te aanvaarden. Daarentegen wanneer beide partijen hun merk mogen blijven gebruiken, ziet de Commissie geen graten in de overeenkomst. Tot slot zal het al dan niet naast elkaar bestaan van de betrokken merken in andere lidstaten die niet tot de overeenkomst behoren, ook meespelen in de overweging van de bevoegde instanties.

Deze bijdrage sluit af met het aanreiken van een antwoord op de vraag wat ondernemingen dan wel mogen opnemen in hun overeenkomst, waarbij een sell & license back-clausule en afspraken maken omtrent de voorstelling van hun merk de meest valabele oplossingen lijken.



Bron: Emma OTTOY, "Merkafbakeningsovereenkomsten in het licht van het Europees mededingingsrecht", IRDI 2014, afl. 3, 538-558.

De volledige tekst vindt u in IRDI. Klik hier voor meer informatie over het IRDI, alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

U kunt de tekst van Emma Ottoy integraal lezen in elektronische vorm via Jura.

Op Jura vindt u meer rechtsleer over Europees mededingingsrecht.


Gepubliceerd op 21-01-2015

  139