Lopende overeenkomsten en faillissement

Artikel 46 Faill.W. bood de curator de mogelijkheid om lopende overeenkomsten te beëindigen in geval van faillissement. Artikel XX.139 WER, dat dit artikel vervangt, tracht de discussies over de draagwijdte van deze bepaling te beslechten. Lies D’Hondt gaat na of deze doelstelling werd gerealiseerd. Haar bijdrage is op 9 oktober 2019 verschenen in aflevering 408 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 09-10-2019

failissement

Algemeen: Het begrip ‘lopende overeenkomsten’

Er bestaan twee opvattingen omtrent de invulling van het begrip ‘lopende overeenkomsten’:

  1. het zijn alle verbintenissen die nog niet integraal zijn uitgevoerd door de gefailleerde
  2. het zijn enkel de overeenkomsten met opeenvolgende prestaties, zoals een huurovereenkomst

De invulling van dit begrip is bepalend in de afbakening van de bevoegdheid van de curator. Evenwel werd deze onduidelijkheid nog niet opgehelderd.

Discussie 1: Recht op niet-uitvoering of beëindiging?

Is de bevoegdheid van de curator beperkt tot het niet-uitvoeren van de overeenkomst of gaat deze effectief zo ver dat hij de overeenkomst kan beëindigen? Het Hof van Cassatie oordeelde in twee arresten dat de curator een beëindigingsbevoegdheid heeft, maar enkel indien dit noodzakelijk is voor het beheer van de boedel. Dit werd bevestigd in artikel XX.139 WER.

Discussie 2: Faillissement verhuurder

De bevoegdheid van de curator van de verhuurder om een huurovereenkomst te beëindigen, zou eventueel strijdig kunnen zijn met een aantal regels van dwingend recht. Het Hof van Cassatie oordeelde evenwel dat dergelijke beëindiging mogelijk is. Aangezien artikel XX.139 WER hieromtrent niets specifiek vermeldt, blijft deze rechtspraak van toepassing.

Discussie 3: Zakelijke rechten

De omvangrijkste discussie betrof deze omtrent de mogelijkheid van de curator om ook zakelijke rechten te beëindigen. Artikel XX.139 WER bepaalt dat de curator alle zakelijke rechten kan beëindigen, maar enkel in geval van faillissement van de houder van het zakelijk recht. De wetgever is, samen met een deel van de rechtsleer, van mening dat deze regeling een bevestiging uitmaakt van de reeds bestaande opvattingen. Niettemin wordt in deze bijdrage een tegengestelde opvatting verdedigd. Mijns inziens, en steunend op het ander deel van de rechtsleer, bestond de mogelijkheid van beëindiging van zakelijke rechten immers oorspronkelijk ook in geval van faillissement van de verlener van het zakelijk recht. Artikel XX.139 WER vormt dus in die zienswijze een beperking van de oorspronkelijke opvattingen.

Besluit

De wetgever is van mening dat artikel XX.139 WER een bevestiging inhoudt van artikel 46 Faill.W. en de rechtspraak hieromtrent. Mijns inziens klopt deze opvatting, evenwel met een belangrijk voorbehoud voor de regeling inzake zakelijke rechten.

De auteur

d-hondt-lies

Lies D’Hondt is student rechten aan Universiteit Antwerpen.

 

 

  539