Kredietopening, lening op intrest en wederbeleggingsvergoeding

In geschillen over vergoedingen voor voortijdig terugbetaalde kredieten draait de discussie vaak rond de vraag naar de juridische kwalificatie van overeenkomsten waarbij kapitaal tegen betaling ter beschikking gesteld wordt. De juiste kwalificatie bepaalt de hoogte van de wederbeleggingsvergoeding. Dieter De Troij bespreekt de vaak technische concepten die hierbij ter sprake komen en onderzoekt de criteria die de rechter kan hanteren om de lening op interest te onderscheiden van een kredietopening. Zijn bijdrage verscheen op 15 november 2017 in aflevering 370 van het Nieuw juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 15-11-2017

njw-370

Recentelijk werden er in België heel wat geschillen beslecht over vergoedingen voor voortijdig terugbetaalde kredieten. In de grote meerderheid van deze rechtszaken draait de discussie rond de vraag naar de juridische kwalificatie van overeenkomsten waarbij kapitaal tegen betaling ter beschikking gesteld wordt. De juiste kwalificatie bepaalt de hoogte van de wederbeleggingsvergoeding, dit is de vergoeding voor de kredietinstelling bij een voortijdige beëindiging van de overeenkomst door de kredietnemer die bijvoorbeeld wilt profiteren van lagere interestvoeten.

Het verschil tussen leningen en kredietopeningen is vaak niet duidelijk. Kredietgevers maken wel eens handig gebruik van dit vage onderscheid met de bedoeling om artikel 1907bis BW buiten spel te zetten. De beperking van artikel 1907bis BW is immers enkel van toepassing op wederbeleggingsvergoedingen bij voortijdige terugbetaling van leningen op interest. Algemene voorwaarden van financiële instellingen zijn daarom vaak zo geredigeerd dat het steeds om een kredietopening zou gaan, ook al betreft het een lening op interest. De rechter is bevoegd om de kwalificatie van de kredietovereenkomst na te gaan en heeft hiervoor een aantal criteria te zijner beschikking.

Uit de rechtspraak blijkt dat de wil van de partijen doorslaggevend is om de juiste kwalificatie te bepalen. Daarentegen spelen de woorden die in het contract gebruikt worden om evidente redenen slechts een kleine rol in het onderzoek van de rechter. Het al dan niet wederzijdse karakter van de overeenkomst, de vrijheid om het krediet op te nemen, de verplichting om verantwoordingsstukken af te leveren om het kredietbedrag te bekomen en de vraag of het kapitaal in één keer moet worden opgenomen zijn dan weer wel erg belangrijke aanwijzingen. Uit de rechtspraak blijkt bovendien dat de rechter bijna steeds rekening houdt met de context waarin het contract gesloten werd: is er sprake van een verlenging van een voordien toegekende kredietlijn, dan is er bijvoorbeeld zeer waarschijnlijk sprake van een kredietopening en geen lening op interest.

In deze bijdrage wordt ook het belangrijke cassatiearrest van 24 november 2016 (AR C.15.0409) besproken, waarin Hof oordeelde dat iedere vergoeding, contractueel afgesproken of niet, onderworpen is aan de beperking van artikel 1907bis BW. Deze uitspraak zette een punt achter de  discussie in rechtspraak en rechtsleer over de vraag of wederbeleggingsvergoedingen gevorderd als tegenprestatie voor de wijziging van een kredietovereenkomst die niet in de mogelijkheid van een vervroegde terugbetaling voorzag onder het toepassingsgebied van artikel 1907bis BW vallen.

In deze bijdrage worden de vaak technische concepten die in de geschetste discussie ter sprake komen onderzocht. De auteur gaat ook in op de criteria die de rechter kan hanteren om de lening op interest te onderscheiden van een kredietopening.

  850