Is WER een revolutie van consumentengeschillen?

DAOROp 15 oktober 2014 heeft op de Universitaire Stichting een lunchcauserie plaatsgevonden, georganiseerd door het tijdschrift DAOR en Wolters Kluwer. Het onderwerp van deze lunchcauserie is: “De onderneming voor consument(en): collectieve rechtsvorderingen, vorderingen tot staking, bemiddeling. Is het Wetboek van Economisch Recht een revolutie van de consumentengeschillen?”. Hierna volgt een verslag van deze lunchcauserie.

De bedoeling van deze tweetalige afspraak (zoals het tijdschrift) was om bepaalde onderdelen van de Wetboek van Economisch Recht (WER) vanuit verschillende standpunten aan te pakken, tijdens een gezellige lunch, door de presentaties van rechtspractici die met deze nieuwe reglementeringen worden geconfronteerd, of zullen geconfronteerd worden.

Er waren veel colloquiums, seminaries en studiedagen die over dit onderwerp werden georganiseerd in 2014; toch heeft het succes van deze lunchcauserie aangetoond dat dergelijke formule voldoet aan de verwachtingen van een publiek met weinig tijd dat snel en concrete antwoorden eist. Daarom zullen het tijdschrift en de uitgeverij ongetwijfeld de traditie van deze lunchdebatten behouden.

Thema’s van de presentaties – beperkt tot bepaalde onderdelen van het nieuwe wetboek – werden bewust geselecteerd door het redactiecomité om meer aandacht te besteden aan de nieuwe verhouding, of liever aan het nieuwe procedureel verband tussen de onderneming en de consument(en). Door het behandelen van dit onderwerp op een gerichte en originele manier bleef het tijdschrift in lijn met haar 'fabrieksmerk', zoals onderstreept door Denis Philippe, co-hoofdredacteur, in zijn korte inleiding.

Om het fenomeen in een bredere context te plaatsen heeft Delphine Dehasse, organisator van de lunchcauserie, rechter bij de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, en lid van het redactiecomité, het onderwerp vanuit een Europees standpunt voorgesteld.

De invoering in Europa van wat men vaak 'class actions' noemt, is eigenlijk niet recent. De eerste werkzaamheden van de Europese Commissie in dit verband dateren van 1985. Uiteindelijk zijn ze ten einde gekomen door de Aanbeveling van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten (2013/396/EU). Deze niet-verbindende aanbeveling bepaalt de hoofdlijnen van een coherente aanpak door de lidstaten in het kader van collectieve rechtsvorderingen.

De lidstaten werden uitgenodigd om adequate maatregelen vóór 26 juli 2015 te implementeren. “Op grond van de praktische ervaringen met de aanbeveling zal de Commissie, vier jaar na de bekendmaking ervan [dus op 26 juli 2017], nagaan of verdere wetgevingsmaatregelen moeten worden voorgesteld om de horizontale aanpak die in deze mededeling en in de aanbeveling wordt voorgesteld, te consolideren en te versterken. De Commissie zal in het bijzonder de tenuitvoerlegging van de aanbeveling beoordelen en de gevolgen ervan voor de toegang tot de rechter, het recht om schadevergoeding te krijgen, de noodzaak om misbruik van procesrecht te voorkomen en de werking van de eengemaakte markt, de economie van de Europese Unie en het consumentenvertrouwen” (COM (2013) 401 final)). Zo was alles gezegd: het is waarschijnlijk dat bij gebreke van bevredigend resultaten Europa de noodzakelijke richtlijnen en verordeningen zal aannemen om de lidstaten te verplichten om de nieuwe reglementering toe te passen.

In dit verband heeft het korte overzicht per buurland (Duitsland, Frankrijk, Nederland en Verenigd Koninkrijk) aangetoond dat de taak delicaat zal/zou zijn voor de Commissie indien ze in dit domein wetgevend moet optreden, rekening houdend met “de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten” (4de Overwegende van de Aanbeveling). Inderdaad bestaan er in de lidstaten min or meer gelijke concepten, die min of meer dicht aanleunen bij het concept van de "collectieve rechtsvordering" in de zin bedoeld door de Europese Commissie. Harmonisatie blijkt dus op het eerste gezicht een delicate oefening, maar ze is zeker niet onmogelijk.

Na deze presentatie van de Europese context heeft Hakim Boularbah, advocaat, Professor aan de Université de Liège en de Université Libre de Bruxelles, en auteur van veel publicaties, het juridische regime van 'class actions op zijn Belgisch' voorgesteld in een diepgaande studie.

Eerst heeft hij het mechanisme van de collectieve rechtsvordering, zoals ingevoerd in ons recht door het nieuwe Wetboek van Economisch Recht verduidelijkt. De rechtsvordering tot collectief herstel, die van toepassing is op feiten van na 1st september 2014, wordt beperkt tot het herstel van schade geleden door consumenten in geval van schending door een onderneming van een contractuele verplichting, een Europese verordening of een wet (of KB) die limitatief worden opgesomd door de tekst.

De groep kan slechts worden vertegenwoordigd door een enkele groepsvertegenwoordiger, die een organisatie moet zijn : ofwel een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen die rechtspersoonlijkheid bezit en voor zover zij in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigd is, ofwel een vereniging met rechtspersoonlijkheid die door de minister erkend is en die meer dan drie jaar bestaat, en waarvan het maatschappelijk doel in rechtstreeks verband staat met de collectieve schade die door de groep is geleden en die niet op een duurzame wijze een economisch doel nastreeft, ofwel nog de Consumentenombudsdienst indien het een akkoord tot collectief herstel met de onderneming wenst te onderhandelen.

De hoven en de rechtbanken van eerste aanleg (en eventueel van koophandel) van Brussel zijn bevoegd om van deze rechtsvorderingen kennis te nemen. De procedure bestaat uit eerst een ontvankelijkheidsfase, dan een verplichte onderhandelingsfase gevolgd door de homologatie door de rechtbank van het collectieve akkoord, of, bij gebrek (aan homologatie of akkoord), door een beslissing ten gronde van de rechtbank, en uiteindelijk, een uitvoeringsfase (van het akkoord of van de beslissing ten gronde) door een schadeafwikkelaar, onder controle van de rechter.

Daarna onderzocht Professor Boularbah het concept van de 'onderneming' bedoeld in het regime van de collectieve rechtsvorderingen. Volgens artikel I.1, 1° van het boek I van het Wetboek van Economisch Recht is de onderneming "elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen". Ze zal met eventuele collectieve rechtsvorderingen geconfronteerd worden, door consumenten die gewoonlijk in België verblijven of niet, die een schade hebben geleden als gevolg van een inbreuk door de onderneming op een van haar contractuele verplichtingen, op een van de Europese verordeningen of de wetten opgesomd in artikel XVII. 37 of op een van hun uitvoeringsbesluiten. Deze wetten en verordeningen betreffen onder andere de bescherming van de mededinging, de marktpraktijken, de veiligheid van producten en diensten, de wet van 2 augustus 2002 op de financiële sector en financiële diensten, de wet op de elektriciteits- en gasmarkten,… Een collectieve rechtsvordering is op dit ogenblik niet mogelijk om de buitencontractuele aansprakelijkheid van een onderneming in gedrang te brengen.

Uiteindelijk werd deze presentatie besloten door het onderlijnen dat de onderneming het aantal en het profiel van de consumenten betrokken bij een collectieve rechtsvordering moet kennen om best haar verdediging in de verschillende fases van de procedure voor te bereiden.

Michael Gilllis, General Counsel Electrabel BeLux, GDF SUEZ heeft de sessie afgesloten met een diepgaande en nieuwe presentatie over de wijze waarop de onderneming dergelijke hervormingen kan beschouwen, en vooral hoe ze deze kan aanpakken. Na een herinnering van de evolutie van de bescherming van de consumenten vanaf de jaren 70 tot nu toe, heeft Michaël Gillis het thema van bemiddeling, ook verankerd door het nieuwe Wetboek, voorgesteld. Ondernemingen hebben nochtans niet op dit nieuwe wetboek gewacht om deze alternatieve geschilbeslechtingsmethode te ontwikkelen. Onder de nieuwe wetgeving kunnen ze niet meer de benaming "bemiddeling" gebruiken (zoals ook de woorden "verzoening", "ombuds", die ook zijn verboden) in de benoeming van hun betrokken afdelingen of diensten. Het boek XVI "Buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen" voerde een nieuwe openbare dienst in, genaamd de "Consumentenombudsdienst". Deze is effectief in actie sinds 1 januari 2015; zo heeft de wetgever een bemiddelingsorgaan gecreëerd gelijk aan deze die in bepaalde sectoren reeds bestonden, maar met een algemeen toepassingsgebied.

Daarna heeft Michaël Gillis het Wetboek in zijn politiek context geplaatst, en aan de valkuilen herinnerd die het wetsvoorontwerp inhield en die uiteindelijk werden vermeden door de raadpleging van de stakeholders. In een aantal opzichten dienen wij op te merken dat de Belgische wet verdergaat dan de aanbeveling van de Commissie. In ieder geval moet de onderneming zich goed voorbereiden om het nieuwe risico gevormd door de collectieve rechtsvordering te behandelen, en het laatste deel van zijn presentatie ging over methodes en praktische aanbevelingen om daarin te slagen.

Praktijk en ervaring zullen zeggen of dit nieuwe Wetboek van Economisch Recht echt een revolutie voor de consumentengeschillen zal zijn, en of de 'rush naar de rechter' – die sommigen hopen en anderen vrezen – zal gebeuren of niet.


Gepubliceerd op 01-04-2015

  139