De nieuwe Vennootschapswet

Op 18 december 2018 zou het Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen ('WVV') gestemd worden in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Er werd echter op het laatste moment nog bijkomend advies aan de Raad van State gevraagd en met de huidige politieke situatie is de toekomst van het nieuwe vennootschaps- en verenigingsrecht op zijn minst onzeker. Niettemin, wordt het WVV hier aan de hand van enkele korte vragen onder de loep genomen.

We laten Christophe Piette aan het woord. Hij is advocaat aan de balie provincie Antwerpen bij het kantoor K law en één van de auteurs van het boek 'De nieuwe vennootschapswet' dat werd uitgegeven door Wolters Kluwer naar aanleiding van de jaarlijkse studiedag van het Vlaams Pleitgenootschap.

Gepubliceerd op 11-01-2019

Christophe Piette
Christophe Piette

Eén van de algemene wijzigingen is het terugdringen van het aantal vennootschapsvormen naar een beperkt aantal basisvormen. Is dit wel een goede zaak?

De drie grote krachtlijnen van het WVV zijn vereenvoudiging, flexibilisering en de aanpassing aan Europese evoluties. Het beperken van het aantal vennootschapsvormen kadert binnen de vereenvoudiging van het vennootschapsrecht die het WVV wenst te realiseren. We stellen vandaag de dag namelijk vast dat een groot aantal van de afgeschafte vennootschapsvormen niet worden gebruikt of niet goed werden geregeld (zoals de S-BVBA of de LV). Naast de S-BVBA en de LV, worden eveneens de stille en tijdelijke vennootschap, de CVOA, de Comm.VA, het ESV en de VSO afgeschaft. Een beperking van het aantal vennootschapsvormen zou dan voor meer duidelijkheid en een vereenvoudiging van ons vennootschapsrecht moeten zorgen.

Een betere vraag hier zou evenwel zijn of we wel degelijk naar een beperking van het aantal vennootschapsvormen gaan? De idee was namelijk om het aantal vennootschapsvormen te beperken tot 4: de maatschap, de besloten vennootschap (BV), de coöperatieve vennootschap (CV) en de naamloze vennootschap (NV). Hiernaast blijven (als varianten van de maatschap) eveneens de vennootschap onder firma (VOF) en de commanditaire vennootschap (CommV) behouden. De VOF en de CommV kunnen, samen met de BV en de CV, erkend worden als landbouwondernemingen. Ook de erkenning als bosgroepering is mogelijk voor vennootschappen met rechtspersoonlijkheid. De CV zal op haar beurt erkend kunnen worden (evenens als sociale onderneming trouwens). Tenslotte wordt – logischerwijs – aan de Europese vennootschapsvormen (SCE, SE en EESV) niet geraakt. Bij het maken van de rekensom, komt men niet echt tot de conclusie dat het aantal mogelijkheden drastisch zal worden teruggedrongen.

De vraag rijst dan wat het gevolg zal zijn voor de vennootschappen die momenteel een vennootschapsvorm voeren die zal worden afgeschaft?

In beginsel zal het WVV van toepassing worden vanaf 1 mei 2019 op nieuwe vennootschappen en vanaf 1 januari 2020 op de bestaande vennootschappen. De afgeschafte rechtsvormen worden evenwel slechts van rechtswege omgezet op 1 januari 2024. Zo wordt de Comm.VA bijvoorbeeld omgezet in een NV met een enige bestuurder en de CVOA in een VOF. Men heeft dus nog wel even tijd om de statuten van deze vennootschappen aan te passen. Het weze echter opgemerkt dat vanaf de dag dat het WVV op deze bestaande vennootschappen van toepassing wordt (zoals gezegd: 1 januari 2020), de dwingende bepalingen die gelden voor de rechtsvormen waarin zij zullen worden omgezet ook reeds van toepassing zijn. Concreet, een bestaande Comm.VA moet vanaf 1 januari 2020 de dwingende bepalingen van de NV in acht nemen maar blijft daarnaast beheerst door de bepalingen van het huidige W.Venn. op de Comm.VA. Voorzichtigheid is aldus geboden.

Hierop voortbouwend, wat is geplande timing voor de overige vennootschappen?

Zoals hierboven reeds kort werd aangehaald, zal de inwerkingtreding van het WVV in verschillende fasen gebeuren, waarbij de initiële inwerkingtreding voor nieuwe vennootschappen is voorzien op 1 mei 2019. Op vennootschappen die reeds bestaan op de dag van de inwerkingtreding van het WVV (1 mei 2019) wordt het nieuwe wetboek voor het eerst van toepassing op 1 januari 2020 en hebben zij tot 1 januari 2024 de tijd om hun statuten aan te passen aan het WVV. Indien zij dit wensen, beschikken zij evenwel over de mogelijkheid om ook vanaf 1 mei 2019 de bepalingen van het WVV reeds toe te passen (de zogenaamde 'opt-in' mogelijkheid dewelke ook een statutenwijziging vereist).

Wat zijn andere belangrijke wijzigingen voor hedendaagse ondernemers (bij voornamelijk de NV en BV)?

Eerst en vooral wordt er een beperking ingevoerd op de aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschappen en verenigingen. Ten tweede, zal het kapitaal in de BV worden afgeschaft. Ter substitutie is bij de oprichting een toereikend aanvangsvermogen vereist, met een goed onderbouwd financieel plan ter verantwoording van dat aanvangsvermogen. Als bijkomende waarborg voor de schuldeisers wordt een dubbele test toegepast voor de uitkering van het vennootschapsvermogen. Ten derde, zal een meervoudig stemrecht in de algemene vergadering van de BV en NV mogelijk zijn. Ten vierde, zal een BV en NV in de toekomst opgericht en gehouden kunnen worden door één aandeelhouder. Ten vijfde, zal het bestuur van een NV in de toekomst de keuze hebben uit 3 verschillende bestuursmodellen (met name de raad van bestuur, de enige bestuurder of het two-tier bestuursmodel met directieraad en raad van toezicht). Ten zesde, zal het WVV het vennootschaps- en verenigingsrecht elektronisch(er) maken. Ten slotte, zal het verenigingsrecht geïntegreerd worden in het vennootschapsrecht.

In samenhang met dat laatste, is de impact van het WVV op de regelgeving omtrent VZW’s groot?

Recentelijk zijn er reeds een heleboel wijzigingen voor de VZW doorgevoerd en ook het WVV laat de VZW niet onberoerd. De belangrijkste wijziging bestaat erin dat de VZW onder het WVV elke economische activiteit onbeperkt mag uitvoeren. Momenteel is het namelijk zo dat een VZW wel economische activiteiten mag verrichten, zolang ze maar 'bijkomstig' zijn. Het onderscheid met vennootschappen zal dan liggen in het feit dat binnen VZW’s een verbod zal bestaan op rechtstreekse en onrechtstreekse uitkering van vermogensvoordelen aan leden en bestuurders. Daarnaast zal de werking van de VZW opvallend veel lijken op die van de vennootschap. Zo zal de beperking op de bestuurdersaansprakelijkheid ook van toepassing zijn, wordt er een belangenconflictregeling ingevoerd, enz.

Tot slot, zal het WVV er nog van komen?

Laat ons hopen dat het Belgische vennootschapsrecht in 2019 alsnog de 21e eeuw kan binnenrollen. Onze ondernemers verdienen een vennootschapsrecht dat hen de tools aanreikt voor een efficiënt en modern ondernemen.

  1112