Auteursrechtelijke grenzen aan de vrijheid van 'appropriation artists'

Elisabeth Daem schreef een bijdrage over de auteursrechtelijke grenzen aan de vrijheid van zogenaamde appropriation artists voor het tijdschrift Intellectuele Rechten – Droits Intellectuels (IRDI). De auteur geeft hierbij een korte uitleg.

Gepubliceerd op 04-05-2018

Problematiek

irdi

Deze bijdrage heeft als doel om na te gaan wat de auteursrechtelijke grenzen zijn aan de vrijheid van appropriation artists. Vanuit de benadering die stelt dat in de kunsten niets echt nieuw is en creativiteit berust (minstens gedeeltelijk) op het kopiëren en/of wijzigen van en het ontlenen aan eerdere werken die aanwezig zijn in ons cultureel erfgoed, tracht deze bijdrage na te gaan wat de auteursrechtelijke gevolgen zijn als een kunstenaar auteursrechtelijk beschermde elementen aan een eerder werk ontleent en deze zich toe-eigent.

De auteur start met een definiëring van 'appropriation art' en de problematiek die deze kunstvorm teweeg brengt. Door de lage beschermingsdrempel gekoppeld aan de lange beschermingstermijn worden immers steeds meer werken auteursrechtelijk beschermd. Het resultaat is een uitermate delicate verhouding: het intellectueeleigendomsrecht stimuleert creaties, maar belemmert ook de innovativiteit van appropriation artists.

Wettelijke uitzonderingen waar appropriation artists zich op (zouden) kunnen steunen

Vanuit Europees auteursrecht worden daarom drie verweermiddelen geanalyseerd: het citaatrecht, de parodie-uitzondering en de vrijheid van meningsuiting. Daarnaast maakt deze bijdrage ook een rechtsvergelijkende analyse met het in de Verenigde Staten geldend rechtssysteem waar appropriation artists een beroep kunnen doen op het fair-usebeginsel. Geen van deze vier uitzonderingen biedt voor appropriation artists als zodanig een succesvol verweer. Daarom pleit ik voor een flexibele benadering, waarin de uitzonderingen zo worden benaderd dat het auteursrecht ook de creativiteit van appropriation artists beschermt en/of hen minstens een geldig verweermiddel biedt.

Het citaatrecht moet flexibel benaderd worden zodat het ruimte creëert voor een 'artistiek' citaatrecht. Daarnaast moet een parodie niet al te strikt, maar vooral nuttig geïnterpreteerd worden. Wat betreft het recht op artistieke expressievrijheid, is er geen uitzondering voor de kunsten. Niettemin moet men bij een conflict in geval van twijfel oordelen voor de kunst, niet alleen bij de invulling van het auteursrechtelijk begrip, maar ook bij het bepalen van de omvang van de uitzondering. Tot slot wordt gepleit voor de implementatie van het fair-usebeginsel in het Europees auteursrecht, met behoud van de lijst van expliciete uitzonderingen. Het fair-usebeginsel zou dan toepassing vinden bij een gebruik van een auteursrechtelijk beschermd werk dat niet gerechtvaardigd kan worden op basis van één van de expliciete uitzonderingen, maar toch voldoet aan een eerlijk gebruik.

Besluit

Deze bijdrage toont aan dat de toepassing van het auteursrecht in onze postmoderne samenleving de creativiteit van appropriation artists niet voldoende beschermt. De interpretatie van de toepassingsvoorwaarden van de uitzonderingen moet op een flexibele manier gebeuren zodat de creativiteit van appropriation artists niet onrechtmatig wordt ingeperkt. Appropriation art verdient het met andere woorden om als een nieuwe expressie aanvaard te worden die ook juridische bescherming geniet.

  347