Advocatenhonoraria en Wetboek Economisch Recht

Hugo LamonAdvocaten bepalen vaak eenzijdig en op het einde van een dossier hun honorarium. Er is dan sprake van een partijbeslissing. Wanneer de advocaat een te hoog honorarium aanrekent, schrijft artikel 446ter Ger.W. voor dat de raad van de orde en de rechtbank dit kunnen herleiden. Hugo Lamon onderzoekt in afl. 323 van 27 mei 2015 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) of door de invoering van het Wetboek van economisch recht die partijbeslissing nog kan standhouden. Hij vindt dit zeer problematisch wanneer de cliënt van een advocaat een consument is en dus een beroep doet op de advocaat in een niet beroepsmatige context. In die gevallen moeten vooraf een transparante afspraken worden gemaakt.

Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Het Wetboek van economisch recht verplicht ondernemingen om informatie te verstrekken. Drie van die verplichtingen zijn ook van belang bij de beoordeling van het geoorloofd karakter van een partijbeslissing bij het advocatenhonorarium.

Boek III WER legt aan ieder ondernemer, en dus ook aan de advocaat, de verplichting op om informatie te verstrekken over de prijs. Indien de advocaat tegen een vaste prijs prestaties levert, moet hij die prijs in toepassing van artikel III.74 WER vooraf melden. Die situatie zal in de praktijk slechts zelden toepassing vinden, omdat de omvang van de te leveren prestaties niet vooraf kan worden bepaald. Toch zal de advocaat dan, wanneer de cliënt erom verzoekt, vooraf moeten melden op welke wijze hij zijn honorarium zal berekenen. De niet-naleving van deze verplichting is een precontractuele fout.

Van groter belang is echter de verplichting die boek XIV WER oplegt in de relatie met consumenten. Artikel XIV.3.3° WER legt ook een informatieverplichting op om vooraf de prijs of minstens de berekeningsmethode van het honorarium op transparante wijze kenbaar te maken. Hier voorziet de wet in strafsancties bij niet-naleving van die verplichting. Dat maakt dat de wet de openbare orde raakt. Bovendien is die bepaling uit boek XIV WER ook een omzetting van een Europese richtlijn. De miskenning van de bepalingen van de richtlijn kan ertoe leiden dat de advocaat geen vergoeding kan vragen voor de door hem geleverde prestaties.

De beoordeling van advocatenhonoraria wordt ook beïnvloed door de leer van de onrechtmatige bedingen. Sinds een recent arrest van het Hof van Justitie is het duidelijk dat ook afspraken tussen advocaten en particuliere cliënten aan de richtlijn onrechtmatige bedingen moeten worden getoetst. Het Wetboek van economisch recht heeft de onrechtmatige bedingenleer op meer situaties toepasselijk gemaakt dan door de richtlijn vereist is. Dat maakt dat er allicht geen ruimte meer is voor een partijbeslissing zoals die voorgeschreven is door artikel 446ter Ger.W.

De advocaten doen er dan ook goed aan om vooraf duidelijke en transparante informatie te verstrekken aan hun cliënt en deze bij voorkeur ook vast te leggen in een schriftelijke en heldere honorariumovereenkomst, willen ze vermijden dat ze achteraf in de kou blijven staan en het zonder honorarium moeten stellen.


De auteur is advocaat.

Bron: Hugo LAMON, “Advocatenhonorarium en Wetboek Economisch Recht”, NjW 2015, afl. 323, 378-386.

De volledige tekst vindt u in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW). Klik hier voor meer informatie over het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

NjW kan ook gelezen worden op smartphone en tablet. Wie al een abonnement heeft op de papieren versie geniet van een voordeeltarief. Klik hier voor meer informatie over NjW mobiel.

>>> Als u nu een jaarabonnement neemt op NjW ontvangt u gratis het volledige artikel van Hugo Lamon in pdf-formaat. Zend hiervoor een e-mail met vermelding van alle vereiste contactgegevens voor de levering en facturatie van uw abonnement naar: njw@wolterskluwer.be.

De website van NjW: www.e-njw.be

Op Jura vindt u meer rechtsleer over advocatenhonoraria.


Gepubliceerd op 27-05-2015

  469