‘Stafhouders hebben aan soortelijk gewicht ingeboet bij gerechtelijke hervorming’

25 jaar is het ondertussen geleden dat een Antwerpse advocaat zijn ‘Dikke Stevens’ op de Vlaamse advocatuur losliet. Toen opgevat als een leidraad voor de advocaten aan de Antwerpse balie, is het boek ‘Regels en deontologie’ van oud-stafhouder en voormalig OVB-voorzitter Jo Stevens uitgegroeid tot de bijbel van de Vlaamse advocaten voor alles wat met de uitoefening van het beroep te maken heeft. De wereld heeft in die kwarteeuw niet stilgestaan, de advocatuur is onherkenbaar veranderd. Tijd dus, vond de auteur, voor een nieuwe uitgave, die we hier met recht en reden officieel ‘de nog dikkere Stevens’ mogen dopen: 1.393 pagina’s. We schoven na een eerste - toegegeven diagonale - lezing in Antwerpen aan voor wat toelichting. ‘De balie is een ongelooflijk conservatief ding.’

Ruth Boone

[Dit is een fragment van het volledige interview. Dat kunt u lezen in De Juristenkrant (nr. 311 van 10 juni 2015) of via Jura.]


JoStevensJo Stevens is nu al een paar jaar ereadvocaat, en bekijkt de advocatuur dus met wat meer afstand dan vroeger. Die afstand blijkt onder andere uit zijn mening over het concept van de advocaat-ondernemer, dat onder impuls van het Europees Hof van Justitie ingang vond in de Belgische rechtsorde. ‘We hebben ons ten onrechte verzet tegen dat idee dat een advocaat ook een ondernemer is. Dat kwam vanuit een oprechte bezorgdheid: wij zijn geen commerçanten. Want commerçant zijn zagen we als iets slechts. Er was ook geen sprake van concurrentie tussen advocaten - al was die er natuurlijk wel. We hebben ons te lang op dat negatieve gefixeerd. Het concurrentierecht was een blinde vlek voor ons. In de vorige dikke Stevens was er in de index bijvoorbeeld geen lemma ‘concurrentie’. Dat kon voor ons niet met deontologie gerijmd worden.’
‘Ondertussen heeft de advocatuur een hele omslag gemaak: we zijn misschien geen commerçanten, maar wel onderne-mers, en we hebben ingezien dat deontologie en concurrentierecht geen vijanden van elkaar zijn, maar beide ten dienste staan van het belang van de cliënt.’

Heeft iedereen die omslag nu gemaakt?
‘De leidende figuren en de raden van de orde alvast wel. In het begin moesten we als OVB nog opmerkingen maken, over erelonenrichtlijnen, of ereloonformules die op het randje waren. Ook de OVB is door het Hof van Cassatie twee keer veroordeeld op concurrentierechtelijk niveau. Maar nu is de mededinging een reflex geworden.’

De advocatuur valt nu onder het wetboek economisch recht.
‘En dat heeft ervoor gezorgd dat we met ongelofelijk veel regeltjes te maken hebben. Een aantal daarvan zijn voor ons vanzelfsprekend, zoals de bescherming van de cliënt en verboden praktijken. Een contract automatisch verlengen bij-voorbeeld. Voor advocaten heeft die regeling van het WER geen zin, een advocatencontract is altijd opzegbaar ad nutum.’
‘Een ander gevolg is dat de Economische Inspectie bij ons komt controleren of we die regels goed toepassen. Er zijn 17.117 advocaten in België, en de Inspectie heeft er vorige zomer 200 gecontroleerd. Ik stel me toch wel vragen bij de zin daarvan. Het legt regellast op de advocatuur. Is dat erg? Niet heel erg. Maar het gaat voorbij aan het feit dat de advocatuur nu al voortdurend wordt gecontroleerd: door de cliënt, de tegenpartij, door de stafhouder en de raad van de orde, de rechtbanken, de tuchtraden. Wat niet betekent dat er geen ongelukken kunnen gebeuren.’

[...]

Zijn alle stafhouders streng genoeg tegenover confraters die er de kanten van af lopen?
‘Neen, dat is een probleem. België heeft minder dan de helft van het aantal tuchtzaken dat Nederland heeft, in proportie tot het aantal advocaten. Zij spelen korter op de bal. Bij ons is het probleem dat alles langs één stafhouder passeert. Na twee jaar komt er in de regel een nieuwe. Eerste vraag: gaat die alle nog hangende dossiers terug opnemen? Dat is een groot probleem, waar weinig aandacht aan wordt besteed, maar er zijn dossiers die een hele ontwikkeling hebben door-gemaakt tijdens een batonnaat, en die nog geen eindpunt hebben bereikt. Dat zijn dikwijks dikke dossiers, die dan door de nieuwe stafhouder worden geërfd. En dat kunnen er 50 of 100 zijn. En die raken niet altijd allemaal meer afgewerkt.’
‘Anderzijds heb je ook stafhouders die niet aan tucht doen omdat ze er niet in geloven. Ze willen zich verzoenend opstel-len, en vinden een vaderlijke vermaning voldoende.’
‘Alleszins is het zo dat er in sommige balies nooit tuchtzaken zijn. En niet alleen aan de kleinste balies. Ook zijn er in grote balies sommige jaren tussen de 25 en 40 tuchtzaken, andere jaren 1 of 2. Dat is niet normaal. Het systeem is dus niet erg gestroomlijnd.’
‘Mijn voorstel zou zijn om de voorzitter van de tuchtraad dezelfde bevoegdheden te geven als de stafhouder, zodat men aan beiden zijn klacht kan richten. Een bijkomend argument is dat je dan tegemoet kunt komen aan de vraag of de staf-houder wel voldoende onpartijdig is tegenover de leden van zijn eigen balie. De voorzitter staat er wat verder vanaf, wat het gevoel van onpartijdigheid alleen kan vergroten. Het is natuurlijk voor een stuk perceptie, maar daar moeten we naartoe.’
‘In Nederland kent men sinds kort het toezicht op het toezicht. Dat is een heel belangrijke functie. In België hebben we amper statistieken, die moeilijk bereikbaar zijn.’


 

[...]


TE KLEIN SOORTELIJK GEWICHT
Ook in de hertekening van het gerechtelijk landschap hebben de balies niet aan hun autonomie willen laten raken.
‘Ik ben er niet gelukkig mee dat de balies niet mee de sprong gemaakt hebben met de gerechtelijke reorganisatie. Ik heb daarvoor ook geijverd als voorzitter. Het zou ook heel eenvoudig zijn geweest, want de wet bepaalde dat het aantal balies afhing van het aantal gerechtelijke arrondissementen, dus moest er geen letter veranderen in het gerechtelijk wetboek. Maar sommigen wilden hun eigen kleine balies behouden. Het nadeel daarvan is dat we niet meer altijd op de hoogte zijn van wat er gebeurt in de gerechtelijke arrondissementen. De voorzitter op arrondissementeel niveau staat nu op hoger niveau dan de stafhouder. Hij heeft drie, vier balies ‘onder zich’. Die hebben niet meer het zelfde soortelijk gewicht als vroeger. De adviseringsbevoegdheid van de stafhouders is gedilueerd, aangezien er nu in een gerechtelijk arrondissement verschillende adviezen kunnen worden gegeven aan de rechtbankvoorzitter.’

Waarom is men niet willen meestappen?
‘De balie is een ongelooflijk conservatief ding. Dat wordt er volgens mij ingelepeld in de rechtenstudies. Juristen zijn over het algemeen conservatief. Men kijkt altijd naar het verleden, vooruitzien is moeilijker. Er zijn uitzonderingen na-tuurlijk.’
‘Het is ook een beetje l’esprit du clocher, want het is toch zo gezellig in de eigen balie. Men wil bij hetzelfde oorspronke-lijke groepje behoren. Maar gezelligheid is de taak van de jonge balies, dat heeft niets te zien met een efficiënt, adequaat baliebestuur. Balies zijn bestuurlijke overheden, geen gezelligheidsclubs.’
‘Ik heb de hoop dat het er toch nog van zal komen, naar analogie met de beweging bij de gerechtsdeurwaarders. Ik hoop dat de minister ook een reparatiewet zal maken voor ons.’

[...]

CENTEN

[...]

De internationalisering van het beroep brengt ook de discussie naar België over de inbreng van vreemd kapitaal in de advocatuur. Hoe kijkt u daar tegenaan?
‘Ik denk dat we daar heel voorzichtig mee moeten zijn. Want hoe zit het met het beroepsgeheim, en wat met de belangen van de cliënt? De advocatuur is geen kapitaalintensieve sector. We hebben weinig kapitaal nodig, en de rentes bij de banken zijn laag. Je kunt dus beter naar de bank gaan voor een lening. Een kapitaalverstrekker die vreemd kapitaal in-brengt, gaat natuurlijk een return op zijn investering willen. Is dat altijd compatibel met het cliëntenbelang? Wat als de kapitaalverstrekker macht binnen dat advocatenkantoor wil verwerven, eventueel door samen te spannen met een minder-heid van de advocaten-aandeelhouders, om zo een meerderheid te vormen?’
‘Ik sta daar wantrouwig tegenover. Je moet niet willen kunnen lopen vooraleer je kan stappen. De beweging is het meest uitgesproken in Engeland en Wales, door de Legal Services Act 2007, en daar is een of andere vorm van vreemd kapitaal maar in een 400-tal kantoren van de 10.000 geïntroduceerd, en niet in de allergrootste. We hebben nog alle tijd om dat rustig aan te kijken en onze wetgeving eventueel in overeenstemming te brengen met dat nieuwe gegeven. Want nu geldt ons tuchtrecht niet voor vennootschappen en dus ook niet voor de niet-advocaten, zoals de vreemde kapitaalvertrekkers. Je zit daar dus met een lamme arm. Eerst moet de wet dus aangepast worden.’
‘We weten ook nog niet of het zal doorbreken in Engeland en in de rest van de wereld. Laat ons dat afwachten, vooraleer we weer reglementen maken voor drie, vier man, waarin de rest niet geïnteresseerd is.’

[...]

VRAAG EN AANBOD
Tot slot misschien nog iets over de commotie rond het vermeende teveel aan advocaten.
‘Ik heb dat onderzocht. Er zijn in België relatief veel advocaten, meer dan in Frankrijk en Nederland als je kijkt naar het bevolkingsaantal. Maar minder dan in Duitsland, Engeland en de VS. Dat heeft natuurlijk ook te maken met de vraag wat advocaten doen. In Frankrijk bijvoorbeeld is er een slechte marktpenetratie van advocaten. Daar doen ze nog altijd voor-namelijk familie- en strafrecht. Maar er zijn weinig zakenadvocaten behalve de oude conseils juridiques, die door de balie te vervoegen de accountancykantoren in de advocatuur hebben genesteld. Op dat vlak is België gepriviligeerd, met de vele bedrijfszetels van internationale ondernemingen en de lobbying bij internationale instellingen in Brussel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hier proportioneel meer advocaten zijn.’
‘De VS is dan weer een land waar er veel geprocedeerd wordt. België trouwens ook, in burgerlijke en commerciële pro-cedures. De Belg is iemand die graag procedeert. Is dat goed of slecht? Dat laat ik in het midden. Er is hier ook weinig drempel voor toegang tot een advocaat, met een relatief uitgebreide pro-Deowerking. En met de verruimde Salduz in 2016 wordt dat nog meer. Volgens mij zitten we dan ook niet aan het einde van de groei. Of we het einde zullen zien van de relatief goede financiering, weten we nog niet. Ook in de raadgeving door advocaten zit trouwens nog groei volgens mij.’

[...]

Jo Stevens, Advocatuur. Regels & Deontologie, Wolters Kluwer, 2015.

Meer informatie vindt u in onze webshop.

Dit is een fragment van het volledige interview. Dat kunt u lezen in De Juristenkrant (nr. 311 van 10 juni 2015) of via Jura.

NAAM:
Jo STEVENS
°1942
LOOPBAAN:

  • Dr. In de rechten KU Leuven (1966)
  • Advocaat (1966)
  • Voorzitter Vlaamse Conferentie bij de balie Antwerpen (1984-1985)
  • Voorzitter CBR (1992-1994)
  • Bestuurder vereniging van Vlaamse Balies (1998-2002)
  • Bestuurder OVB (2002-2005)
  • Stafhouder orde van advocaten Antwerpen (1992-1994)
  • Voorzitter OVB (2005-2011)

Gepubliceerd op 11-06-2015

  249