Ruimte voor ambtshalve middelen in de administratieve cassatieprocedure?

Raad van StateKan de Raad van State als administratieve cassatierechter zich, wat betreft het ambtshalve opwerpen van middelen, spiegelen aan het Hof van Cassatie? Geert Van Haegendoren en Bart Kiekens maken een stand van zaken in afl. 344 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) van 15 juni 2016. Hierna vindt u een korte samenvatting van deze bijdrage.

Sinds de hervorming van de administratieve cassatieprocedure vertoont de taak van de Raad van State als cassatierechter, zowel procedureel als inhoudelijk, steeds grotere gelijkenissen met de klassieke cassatie door het Hof van Cassatie. De Raad van State inspireert zich voor zijn cassatierechtspraak dan ook meestal aan de ‘cassatiepraktijken’ van het Hof van Cassatie, tenzij de eigen regelgeving er uitdrukkelijk van afwijkt. In deze bijdrage bieden de auteurs hun argumenten om met betrekking tot het opwerpen van ambtshalve middelen aan te sluiten bij de rechtspraak van het Hof van Cassatie in burgerlijke zaken – in de volle wetenschap dat die keuze ook tegenstanders zal hebben, net zoals de cassatierechtspraak er heeft. Het zwaarste gewicht hechten de auteurs aan de stelplicht en de filterprocedure.

Stelplicht

Artikel 3 §2, 9° van het Cassatieprocedurebesluit van 30 november 2006 bepaalt dat het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” moet bevatten. De rechtspraak stelt strenge vereisten aan deze uiteenzetting, opdat een middel ontvankelijk is. Uit het één met het ander mag worden afgeleid dat er in het cassatieberoep bij de Raad van State een stelplicht bestaat, vergelijkbaar met die welke overeenkomstig artikel 1080 Ger.W. geldt voor cassatievoorzieningen in burgerlijke zaken.

Filterprocedure

In de toelaatbaarheidsprocedure, zoals die door de wetgever is opgevat, is er geen ruimte voor het opwerpen van ambtshalve middelen. De invoering van de filterprocedure, waarbij het niet volstaat om ontvankelijke middelen aan te voeren opdat de voorziening toelaatbaar is, geeft aan dat ambtshalve middelen geen plaats (meer) hebben in de cassatieprocedure.

Andere bijzonderheden van de administratieve cassatieprocedure wijzen in dezelfde richting: de auteurs vermelden onder meer:

  • dat een cassatieberoep instellen de hulp vereist van een advocaat,
  • dat de Raad van State uitspraak moet doen op basis van de samenvattende memorie,
  • dat een arrest in cassatiegeschillen enkel inter partes geldt.

Het aanvoelen van de auteurs is vooralsnog dat de meeste argumenten wijzen in de richting dat de Raad van State zich als administratieve cassatierechter spiegelt aan de cassatie in burgerlijke zaken: “het middel, geheel het middel en enkel het middel”.




Geert Van Haegendoren is kamervoorzitter bij de Raad van State. Bart Kiekens is attaché-jurist Raad van State.

Bron: Geert VAN HAEGENDOREN en Bart KIEKENS, “Ambtshalve middel in administratieve cassatieprocedure”, NjW 2016, afl. 344, 462-468.

De volledige tekst vindt u in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW). Klik hier voor meer informatie over het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

NjW kan ook gelezen worden op smartphone en tablet. Wie al een abonnement heeft op de papieren versie geniet van een voordeeltarief. Klik hier voor meer informatie over NjW mobiel.

>>> Als u nu een jaarabonnement neemt op NjW ontvangt u gratis het volledige artikel van Geert Van Haegendoren en Bart Kiekens in pdf-formaat. Zend hiervoor een e-mail met vermelding van alle vereiste contactgegevens voor de levering en facturatie van uw abonnement naar: njw@wolterskluwer.be.

De website van NjW: www.e-njw.be

Op Jura vindt u meer rechtsleer over ambtshalve cassatiemiddelen.


Gepubliceerd op 15-06-2016

  168