Rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten

Bart Van den BerghSven SobrieEr verscheen een boek van de hand van Bart Van den Bergh en Sven Sobrie waarin zij alle aspecten van de rechtsplegingsvergoeding aan een diepgaand onderzoek onderwerpen. Naar aanleiding van deze uitgave met als titel 'De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten' gaven zij een geschreven interview.

Het boek behandelt natuurlijk enkel het Belgische recht. Hoe wordt de verhaalbaarheid van erelonen in de Belgische buurlanden eigenlijk geregeld?

Dat wijkt toch wel af van het Belgische systeem. In Duitsland, bijvoorbeeld, worden de minimale advocatenhonoraria vastgelegd bij wet (de Rechtsanwaltsvergütungsgesetz). Advocaat en cliënt kunnen in onderling overleg van deze wettelijke barema’s afwijken en een hoger ereloon afspreken. De verhaalbaarheid is evenwel beperkt tot die wettelijke barema’s. Wanneer een winnende procespartij een hogere vergoeding heeft afgesproken met zijn advocaat, zal het gedeelte dat het wettelijke minimum overstijgt dus hoe dan ook te harer laste blijven.

In Frankrijk bepaalt artikel 700 NCPC dat de rechter de verliezende partij verwijst in de kosten (frais) van de winnende partij die niet onder de gerechtskosten (dépens) vallen. Daarbij gaat het onder meer om de advocatenkosten: dat zijn geen gerechtskosten omdat zij strikt gezien niet noodzakelijk zijn. De wet laat de rechter alle vrijheid bij het bepalen van het bedrag van de frais; hij kan zelfs oordelen dat helemaal geen vergoeding verschuldigd is. In de praktijk leidt die discretionaire vrijheid tot heel divergente rechtspraak, waarbij bijvoorbeeld rechtbanken in de ene regio notoir ‘duurder’ zijn dan rechtbanken in een andere regio.

In Nederland heeft de rechter een gelijkaardige vrijheid, maar de balies hebben er met de rechterlijke macht een akkoord gesloten over de begroting van advocatenkosten bij een kostenveroordeling, het zogenaamde ‘liquidatietarief’. Het tarief hangt af van de door de advocaat verrichte acties (aantal conclusies, pleidooien, incidenten, …) en het monetaire belang van de zaak. Het liquidatietarief is geen bindende rechtsnorm maar wordt in de praktijk wel vrij algemeen gevolgd.

Hoe wordt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding berekend?

Men moet eerst onderzoeken of de vordering in geld waardeerbaar is of niet. Hierover bestaat heel wat casuïstiek aangezien de wet geen duidelijke criteria aanreikt. Indien is uitgemaakt dat de vordering in geld waardeerbaar is, luidt de regel dat het gevorderde bedrag de omvang bepaalt van de rechtsplegingsvergoeding. Enkel bij misbruiken kan de rechter de rechtsplegingsvergoeding bepalen op grond van het toegekende bedrag. De rechter krijgt bovendien enige speelruimte om af te wijken van het basisbedrag, met het minimumbedrag als ondergrens en het maximumbedrag als plafond. Het kan de moeite lonen dat partijen hierover een debat voeren, aangezien de marge vrij groot is tussen minimum- en maximumbedrag. Artikel 8 van het KB Rechtsplegingsvergoeding bepaalt dat de basis-, minimum- en maximumbedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met 105,78 punten (basis 2004); telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden de sommen bedoeld in de artikels 2 tot en met 4 van dit besluit met 10 procent vermeerderd of verminderd. Dit is nu net gebeurd: met ingang van 1 juni 2016 gelden immers aangepaste (geïndexeerde) bedragen voor de rechtsplegingsvergoeding. De laatste aanpassing dateerde reeds van 2011.

Kan men een rechtsplegingsvergoeding vorderen in de procedure voor de hoogste rechtscolleges?

Enkel voor de Raad van State bestaat hier sinds 2014 een uitdrukkelijk wettelijk kader voor. Voor het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie bestaat een dergelijk kader niet. Het Hof van Cassatie heeft echter in enkele principiële arresten geoordeeld dat geen rechtsplegingsvergoeding kan worden gevorderd voor het cassatiegeding. Het Grondwettelijk Hof heeft zich tot op vandaag nog niet moeten uitspreken over een dergelijke vraag, maar in het boek worden enkele denkpistes aangereikt op grond waarvan het te overwegen is om ook in procedures voor het Grondwettelijk Hof een rechtsplegingsvergoeding te vorderen.

Kan een procespartij afzien van het systeem van de forfaitaire rechtsplegingsvergoeding en opteren voor een eis tot integrale vergoeding van zijn advocatenkosten?

Neen, dit kan niet. Het laatste lid van artikel 1022 Ger.W. bepaalt dat men niet boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij. De wetgever heeft met deze bepaling het forfaitair karakter beklemtoond van de rechtsplegingsvergoeding. Een aantal discussies die vroeger bestonden (o.a. inzake de hoegrootheid van het ereloon van de gekozen advocaat) behoren hierdoor definitief tot het verleden. Uiteraard kunnen partijen in onderling overleg hier wel van afwijken, hoewel dit in de praktijk slechts zeer uitzonderlijk zal voorkomen.

Valt er in de nabije toekomst veel nieuws te verwachten op het vlak van de rechtsplegingsvergoeding?

Dat is natuurlijk in grote mate koffiedik kijken. Waar we wel met grote zekerheid naar uit kunnen kijken, is een uitspraak van het Europees Hof van Justitie over de verenigbaarheid van het Belgische RPV-systeem met de Handhavingsrichtlijn inzake intellectuele-eigendomsrechten. Het hof van beroep te Antwerpen had daarover vorig jaar een prejudiciële vraag gesteld. Kortweg komt het erop neer dat de Handhavingsrichtlijn bepaalt dat, in intellectuele-eigendomsgeschillen, de verliezer de ‘redelijke en evenredige gerechtskosten’ van de winnaar moet dragen. Daarbij rijst dan de vraag of het Belgische forfaitaire RPV-systeem daarmee in overeenstemming is. Intellectuele-eigendomsgeschillen zijn immers vaak nogal complex, zodat de advocatenkosten doorgaans een veelvoud zijn van het basisbedrag of zelfs van het maximumbedrag van de RPV. Is zo’n beperkt forfaitair bedrag dan wel ‘redelijk en evenredig’? Het (potentieel) probleem werd al vrij snel gesignaleerd in de rechtsleer, en binnenkort krijgen we dus definitief uitsluitsel. In april 2016 bracht de advocaat-generaal een advies uit waarin hij enerzijds geen schending vaststelde van de richtlijn, maar anderzijds wel toegaf dat het de Belgische rechter eigenlijk mogelijk moet zijn om door het RPV-plafond te breken wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen. Met een dergelijk ambigu advies kan het dus nog alle kanten uit…



Bart Van den Bergh is raadsheer in het hof van beroep te Antwerpen en magistraat met opdracht bij het Hof van Cassatie. Sven Sobrie is advocaat.

Bron: Bart VAN DEN BERGH en Sven SOBRIE, De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, 220 p.

Klik hier voor meer informatie over dit boek van Bart Van den Bergh en Sven Sobrie met als titel 'De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten'.

Op Jura vindt u meer rechtsleer over rechtsplegingsvergoeding.


Gepubliceerd op 13-07-2016

  1356