HRJ hekelt disfuncties Brusselse rechtbank van koophandel

In zijn recentste auditverslag is de Hoge Raad voor de Justitie niet mals voor de Nederlandstalige rechtbank van koophandel in Brussel. De samenvatting van 8 pagina’s bevat naast kritische vaststellingen ook 26 aanbevelingen voor de opvolger van Winnie Neirinck (die in augustus 2014 ontslag nam). Volgens de Hoge Raad draagt zij een zware verantwoordelijkheid wegens de gebrekkige communicatie. In een reactie aan De Juristenkrant betreurt Neirinck op haar beurt dat de samenvatting die publiek werd gemaakt geen gewag maakt van de verschillende initiatieven die zij heeft genomen om aan de disfuncties binnen de rechtbank, die zij samen met de HRJ aanklaagt, een einde te stellen. De samenvatting maakt evenmin melding van het feit dat slechts 6 van de 24 rechters alles in het werk hebben gesteld om elke verandering in de werking van de rechtbank tegen te werken.

Bart Nelissen

Dit artikel verscheen in De Juristenkrant (nr. 306 van 25 maart 2015). Bestel ook een abonnement of lees ze via Jura.

De doorlichting van de rechtbank kwam er na een klacht van zes rechters, waarop de betrokkenen gehoord werden. In juni 2014 besloot de HRJ tot de audit over een aantal pijnpunten.
De samenvatting leert dat het voornemen van de voorzitter om via overleg en samenspraak met de collega’s het beleidsplan concreet uit te werken en in de praktijk om te zetten niet werd uitgevoerd. De Raad noteert voorts dat de werklast niet besproken werd, dat de vakantie-, wachtdienst- en ziekteregelingen systematisch oeverloze discussies uit-lokten, en betreurt meer algemeen dat de rechtbank nauwelijks over uitgeschreven werkprocessen, werkprocedures of richtlijnen beschikt terwijl dat de algemene transparantie zou verhogen en een uniforme werkwijze mogelijk zou maken.
Ook inzake informatica, de aanstelling van deskundigen en de omgang met zogenoemde ‘slapende gelden’ formuleert het verslag aanbevelingen. De laatste raadgeving slaat op een (vertrouwelijk) protocol over het kennelijk niet steeds even serene e-mailverkeer tussen de rechters: ‘De engagementen die in het protocol zijn aangegaan op het gebied van de nale-ving van de gangbare regels inzake hoffelijke professionele omgang moeten door alle betrokkenen worden gerespecteerd. De regeling in verband met het e-mailverkeer die er tevens is in opgenomen kan zo nodig verder worden uitgewerkt.’ De conclusie luidt dat de problemen binnen de rechtbank hoofdzakelijk te maken hebben met de communicatie, en dat de sleutel tot succesvolle veranderingstrajecten vaak ligt bij goede intermenselijke relaties.

VERTEKEND BEELD
‘De audit werd uitgevoerd door de eerste auditeur van de HRJ die met alle betrokkenen afzonderlijk gesprekken heeft gevoerd’, aldus Neirinck, die benadrukt dat de problemen al dateerden van voor de klacht van haar zes collega’s. De magistrate is ontgoocheld dat ook dit niet uit de samenvatting blijkt: ‘De samenvatting geeft een volledig vertekend beeld van de werking van de rechtbank. Zo wordt niet vermeld dat de audit hoofdzakelijk betrekking heeft op de periode mei 2013-april 2014 toen de rechtbank nog een tweetalige rechtbank was met 24 rechters, waarvan er slechts 6 klacht hebben ingediend. De eerste conflicten zijn ontstaan in mei 2013, quasi daags na mijn aanstelling als voorzitter van deze tweeta-lige rechtbank.’ Ook de timing van de klacht was volgens Neirinck veelzeggend: ‘De klacht door de 6 rechters werd ingediend op 4 april 2014, quasi daags na mijn aanstelling als voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank. Elke poging tot verandering van de werkprocessen binnen de rechtbank stootte bij deze rechters van meet af aan op hevig verzet en was tot mislukken gedoemd.’


Neirinck, hierin bijgetreden door de Hoge Raad, achtte grondige veranderingen nochtans noodzakelijk. ‘Dat de werkprocessen dringend dien(d)en bijgestuurd te worden, blijkt duidelijk uit de vaststellingen van de HRJ’, aldus Neirinck. ‘Uit het eindverslag bleek onder meer hoe in de maanden maart-april 2013 niet minder dan 46 procent van de dossiers niet werden behandeld, dat sommige rechters in 2013 maar 58 vonnissen uitspraken, er in het verleden, onder de vorige voor-zitter, ongeoorloofde praktijken werden gehanteerd door sommige rechters om geen zitting te moeten houden, er tussen januari 2013 en september 2014 op 10 rechters 506 ziektedagen werden gemeld, en elke rechter jaarlijks minstens 9 weken geen zitting houdt. Tussen 18 september 2013 en 6 november 2013 gingen niet minder dan 11 zittingsdagen verlo-ren en op een aantal van 27 zittingen verloren we 30 procent pleitduur’, klinkt het nog.

WEDERKERIGHEID
Dat men haar in de samenvatting van de audit een weinig constructieve houding verwijt, komt hard aan. Neirinck geeft aan op dat vlak - weliswaar vruchteloos gebleken - inspanningen te hebben gedaan: ‘Op maandelijkse basis werden de verschillende onderwerpen die de HRJ als voorbeeld aanhaalt - werklast, ziekteregeling, vakantieregeling, deskundigen-onderzoeken - met het voltallige korps besproken. Maandelijkse vergaderingen houden wijst op transparantie, overleg en samenspraak met de collega’s. Maar, het was ergerlijk te moeten vaststellen dat de beslissingen en de processen-verbaal die op een vergadering werden aangenomen, naderhand stelselmatig opnieuw in vraag werden gesteld. Dat verklaart waarom de dienstregeling, de vakantieregeling, de wachtdiensten... telkens opnieuw moesten worden aangepast’, klinkt het. ‘Ik heb bemiddeling als alternatieve wijze van geschillenbeslechting steeds aangemoedigd, maar op een infosessie in juni 2013 daagden slechts een kwart van de rechters op en het initiatief is bij de Nederlandstalige collega’s dode letter gebleven’, vervolgt Neirinck.

Zij ontwaart voorts een verschil tussen de houding van de Franstalige en Nederlandstalige collega’s: ‘Het is opvallend dat onder de Franstalige rechters dit alles niet tot problemen heeft geleid. De HRJ had dit kunnen vermelden in zijn auditverslag en zich vragen kunnen stellen bij een klacht die slechts door zes rechters wordt geformuleerd terwijl achttien andere rechters de klacht niet hebben onderschreven.’ Neirinck onderschrijft de ontluisterende vaststellingen van de Hoge Raad, maar onderstreept het belang van wederkerigheid: ‘Elk initiatief om de werklast, de vakantieregeling, de ziekteregeling of de dienstregeling. aan te passen heeft het voorwerp uitgemaakt van oeverloze discussies, zoals de HRJ terecht stelt. Elk initiatief is dode letter gebleven zodat de disfuncties binnen de rechtbank, die de HRJ terecht aanklaagt, dezelfde disfuncties zijn als voordat ik het voorzitterschap opnam. De volledige verantwoordelijkheid voor die situatie aan mij toeschrijven wegens onder meer een gebrek aan communicatie en een gebrek aan goede intermenselijke relaties, druist in tegen het overleg dat maandelijks plaatsvond en tegen de talrijke e-mails die dagelijks werden uitgewisseld. Communicatie en goede intermenselijke relaties impliceren overigens wederkerigheid en enkel mij hiervoor verantwoordelijk stellen is niet fair.’

‘MICROKOSMOS WAAR ALLES MOCHT’
Terugblikkend op de gebeurtenissen heeft de magistrate er geen spijt van dat ze destijds actie ondernam om orde op zaken te stellen: ‘De storm is veroorzaakt door de veranderingen die ik heb willen doorvoeren, om komaf te maken met het vorige ‘regime’ onder leiding van mevrouw Francine De Tandt waar alles kon en alles mocht. Mocht ik geen enkel initiatief hebben genomen, dan was er geen vuiltje aan de lucht geweest en was ik nog steeds voorzitter.’ Evenmin betreurt ze ontslag te hebben genomen: ‘Ik heb mijn mandaat van voorzitter eind augustus 2014 terug ter beschikking gesteld van de minister van Justitie omdat ik tot het besef ben gekomen dat elke poging tot verandering op verzet zou blijven stoten en ik enkel ‘pro forma’ de functie zou waarnemen.’

Ook na de strenge audit behoudt Neirinck haar vertrouwen in de filosofie van de HRJ: ‘De Hoge Raad stelt zeer terecht dat de missie van de rechtbank is om ‘reasonable justice within reasonable delays at a reasonable cost’ te verstrekken en dat geen enkel ander motief de magistraten en medewerkers van de rechtbank mag drijven. In mijn toespraak naar aanleiding van de plechtige installatie van de Nederlandstalige rechtbank op 31 maart 2014 heb ik hier nogmaals op gewezen. De realiteit is echter dat de rechtbank een microkosmos is waar elk besef van de economische realiteit zoek is.’ Zij betreurt dan ook dat de HRJ geen enkele opmerking maakte over de wijze waarop de rechters zich gedragen en hun werk opvatten. ‘De disfuncties hebben nochtans grotendeels op hun werk betrekking’, aldus nog de magistrate. Het komt er volgens Neirinck nu op aan om vooral naar de toekomst te kijken: ‘Blijven klagen over een gebrek aan mensen en middelen is té eenvoudig als de beschikbare mensen en middelen niet optimaal worden ingezet. Ik blijf ervan overtuigd dat met de bestaande middelen en een positieve ingesteldheid van de betrokkenen, veel vooruitgang had kunnen worden geboekt’.

De auteur doctoreert aan de KU Leuven.

www.hrj.be

Dit artikel verscheen in De Juristenkrant (nr. 306 van 25 maart 2015). Bestel ook een abonnement of lees ze via Jura.


 

Gepubliceerd op 26-03-2015

  200