Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken

Bart Van den Bergh legt de figuur van de gerechtsdeskundige onder een juridisch vergrootglas. Hij bespreekt zowel het verslag als het financieel kostenplaatje. Dit boek is verschenen in de reeks 'APR' (Algemene Praktische Rechtsverzameling).

Gepubliceerd op 08-01-2020

De materie van het gerechtelijk deskundigenonderzoek (in burgerlijke zaken) belangt elke jurist aan. Of men nu actief is in het familierecht, verkeersrecht of in het bouwrecht: elke rechtspracticus wordt vroeg of laat geconfronteerd met de tussenkomst van een gerechtsdeskundige in een procedure voor de rechtbank.

Een aantal misvattingen worden in het boek uit de wereld geholpen: zo is het deskundigenonderzoek geen bewijsmiddel maar een onderzoeksmaatregel waarover alleen de rechter soeverein beslist. Het deskundigenonderzoek wordt op onderscheiden manieren omschreven en van elke kwalificatie wordt het rechtsgevolg onderzocht. Zo is het bevelen van een deskundigenonderzoek een beslissing alvorens recht te doen, waarvoor het verplicht uitgesteld hoger beroep (artikel 1050 Ger.W.) geldt en waaraan geen gezag van gewijsde kleeft. Er wordt onderzocht door welke criteria de rechter zich moet laten leiden vooraleer hij een deskundige aanstelt. O.a. de opportuniteitstoets en de subsidiariteitstoets komen hierbij aan bod. In het verlengde hiervan wordt nagegaan in welke mate de rechter vrij is in het bepalen van de deskundigenopdracht en welke beperkingen hij in acht moet nemen (verbod van overdracht van rechtsmacht, eerbied voor het beschikkingsbeginsel, …).

Omdat een deskundigenonderzoek een evolutief gebeuren is en plots de noodzaak of het inzicht kan groeien om derden bij het onderzoek te betrekken wordt ook uitgebreid halt gehouden bij de problematiek van de (gedwongen en vrijwillige) tussenkomst van derden in het deskundigenonderzoek.

De figuur van de gerechtsdeskundige wordt onder het juridisch vergrootglas gelegd: zijn rechtspositie, zijn (civiele en deontologische) plichten, zijn beroepsgeheim, zijn aansprakelijkheid (voorwaarden, verjaringstermijnen,…), zijn relatie met de rechter (de rechterlijke controlebevoegdheid die echter niet technisch mag interveniëren), wraking en vervanging, zijn procedurele mogelijkheden (kan hij vrijwillig tussenkomen, hoger beroep aantekenen, een rechtsplegingsvergoeding vorderen?).

Het deskundig verslag, als schriftelijke resultante van het onderzoek, is het communicatiemiddel tussen deskundige en rechter. Hoe vertaalt de vrije bewijswaarde van het verslag zich ten aanzien van de rechter en in welke mate mag de rechter toch niet geheel vrij het verslag interpreteren, omwille van het verbod op miskenning van de bewijskracht van het verslag? Wat zijn de sancties bij bepaalde vormgebreken van het verslag (nietigheid) of fouten begaan tijdens het onderzoek zelf (wering uit het debat, niet-tegenwerpelijkheid, ..)? In welke mate is toch een bewijsrechtelijke recuperatie mogelijk van een mank deskundig verslag of een gebrekkig gevoerd onderzoek? 

Ook het financieel kostenplaatje van het deskundigenonderzoek komt aan bod: het voorschot, de taxatieprocedure en de kosten van de expertise als onderdeel van de uiteindelijke gerechtskosten waartoe de verliezende partij wordt veroordeeld.

Ten slotte komen ook de recente wetswijzigingen aan bod: het nationaal register (en de vereisten tot opname in dit register), de rechtsfiguur van de coördinerend deskundige, de Deontologische Code, de wettelijke erkenning van het bedrijfsgeheim als uitzondering op de volmaakte tegenspraak tijdens het deskundigenonderzoek, de impact van de Potpourri-wetgeving op het deskundigenonderzoek (inzake taalgebruik, de nietigheidsregeling, …).

Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken

 

 

De auteur

van-den-bergh-bart

Bart Van den Bergh is raadsheer in het hof van beroep te Antwerpen en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit Hasselt.

  736