Familierechtbanken van start

Het is zover. Elke rechtbank van eerste aanleg heeft voortaan een eigen familie- en jeugdrechtbank, waar men terecht kan met familiale geschillen en jeugdzaken. Bemiddeling krijgt een centrale plaats in de familierechtbank.


Binnen elke rechtbank van eerste aanleg wordt er een familie- en jeugdrechtbank opgericht. Elk gerechtelijk arrondissement zal er dus een hebben.
De familie- en jeugdrechtbank bestaat uit drie soorten kamers: de familiekamer(s), de jeugdkamer(s) en de kamer(s) voor minnelijke schikking.
Ook bij het hof van beroep komen er familiekamers en kamers voor minnelijke schikking. Jeugdkamers waren er al.

BEVOEGDHEID FAMILIERECHTBANK
De familierechtbank neemt kennis van een heel pak vorderingen. Ze staan opgesomd in het nieuwe artikel 572bis van het Gerechteijk Wetboek. De wetgever centraliseert ook alle voorlopige maatregelen in het kader van familiale betrekkingen bij de familierechtbank, behalve voor de vereffeningsprocedure.
Het gaat onder meer om vorderingen:

  • over de staat van personen (bv. afstamming, adoptie, echtscheiding);
  • tot nietigverklaring van de wettelijke samenwoning;
  • tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden over de uitoefening van hun rechten of over hun goederen. Ook de voorlopige maatregelen die daarop betrekking hebben, behoren tot de bevoegdheid van de familie- en jeugdrechtbank;
  • over het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling of het recht op persoonlijk contact ten aanzien van minderjarige kinderen;
  • over de vaststelling van de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen;


Men met wel rekening houden met de bijzondere bevoegdheden die op dit vlak zijn toevertrouwd aan de vrederechter en met de bijzondere wetgevingen.
Het hoorrecht van minderjarigen wordt ook uitgebreid, maar de Orde van Vlaamse Balies vindt de wet een gemiste kans om een advocaat verplicht aanwezig te laten zijn bij het verhoor van een minderjarige.

SPOEDEISENDHEID
FamilieDe familierechtbank kan uitspraak doen in kort geding. Wanneer partijen spoedeisendheid aanvoeren.
Een aantal zaken worden van zichzelf geacht spoedeisend te zijn. Het gaat om zaken over de afzonderlijke verblijfplaatsen; het ouderlijk gezag; de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact met een minderjarige kind; de onderhoudsverplichtingen; de internationale kinderontvoeringen; de machtigingen om een huwelijk aan te gaan; de voorlopige maatregelen;
Deze zaken kunnen ingeleid worden bij tegensprekelijk verzoekschrift, dagvaarding of gezamenlijk verzoekschrift.
De inleidende zitting vindt plaats uiterlijk binnen vijftien dagen na neerlegging ter griffie. Bij dagvaarding gelden afwijkende regels.

De zaken die geacht worden spoedeisend te zijn, blijven ingeschreven op de rol van de familierechtbank, ook in geval van een uitspraak in hoger beroep. Als er dan nieuwe elementen zijn, kan dezelfde zaak opnieuw voor de rechtbank komen via conclusies of bij een schriftelijk verzoek. Dat gebeurt snel, binnen een termijn van 15 dagen na de indiening van de conclusies of het verzoek.

PERSOONLIJKE VERSCHIJNING
Als partijen – onder leiding van een notaris, advocaat of erkend bemiddelaar - een akkoord hebben bereikt over alle vorderingen van de akte van rechtsingang, moeten de partijen niet persoonlijk verschijnen bij de homologatie van het akkoord door de rechter. De rechter kan de persoonlijke verschijning wel bevelen, ambtshalve of op vraag van het openbaar ministerie.

In bepaalde gevallen zijn de partijen verplicht om persoonlijk te verschijnen op de inleidingszitting. Dat is het geval bij vorderingen over afzonderlijke verblijfplaatsen, het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact met een minderjarig kind en de onderhoudsverplichtingen.

Bovendien moeten partijen in alle zaken die gaan over minderjarige kinderen persoonlijk verschijnen op de inleidingszitting, op de zitting waarop de vragen over de kinderen worden besproken én op de pleitzittingen.
In uitzonderlijke omstandigheden kan de rechter van die verplichte persoonlijke verschijning afwijken.


MINNELIJKE SCHIKKING
De wetgever hecht bijzonder veel aandacht aan de bemiddeling en andere vormen van minnelijke schikking. Zodra een vordering wordt ingesteld bij de familierechtbank, informeert de griffier de partijen over de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening of een andere minnelijke oplossing van conflicten. Ze krijgen alle nodige inlichtingen. De familierechtbank is daarnaast verplicht om op de inleidingszitting de partijen te wijzen op de mogelijkheid om hun geschil te beslechten via verzoening, bemiddeling of een andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten.

FAMILIEDOSSIER
Van zodra een eerste vordering bij een familierechtbank wordt ingediend, opent die een familiedossier. Daarin komen alle geschillen die ontstaan tussen partijen met gemeenschappelijke minderjarige kinderen (gehuwd, wettelijk samenwonend of feitelijk samenwonend); tussen echtgenoten (al dan niet met kinderen); of tussen wettelijk samenwonenden (al dan niet met kinderen).
Ook zaken over een kind waarvan de afstamming maar ten aanzien van een ouder is vastgesteld en zaken over het grootoudercontact komen in een familiedossier.
Elk familiedossier krijgt een specifiek nummer. Dat nummer komt op alle akten van rechtsingang, besluiten en andere stukken van het dossier.
Bij verwijzing naar een andere familierechtbank, verhuist het volledige dossier mee.

TERRITORIAAL BEVOEGDE FAMILIERECHTBANK
Centraal staat het principe van één familiedossier. Vorderingen waarvoor de familierechtbank bevoegd is, worden voor dezelfde familierechtbank gebracht waar al eerder een geschil aanhangig is gemaakt. Deze bevoegdheidsregel zorgt ervoor dat er gewerkt kan worden met één familiedossier waarvoor steeds dezelfde familierechtbank bevoegd is. Als het de eerste keer is dat men naar de familierechtbank stapt, zal meestal de woonplaats van de minderjarige bepalen welke familierechtbank territoriaal bevoegd is, maar er zijn ook andere regels. Bijvoorbeeld geschillen over uitkeringen tot levensonderhoud (tenzij er kinderen bij betrokken zijn) komen voor de familierechtbank van de woonplaats van de eiser, maar niet als de vorderingen ertoe strekken die onderhoudsverplichtingen te verminderen of op te heffen. Vorderingen waarvoor het Gerechtelijk Wetboek geen specifieke regeling voorziet, kunnen gebracht worden voor de familierechtbank van de woonplaats van de verweerder of van de laatste echtelijke verblijfplaats.

Partijen kunnen ook samen overeenkomen naar welke familierechtbank ze stappen, maar ze mogen niet afwijken van de regel dat de zaak moet aanhangig gemaakt worden bij de familierechtbank die al eerder gevat is.
Opgelet: bij de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank is niet gekozen voor de woonplaats van de minderjarige. Daar gaat men voor de verblijfplaats van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen. Als ouders gescheiden leven en samen het ouderlijk gezag uitoefenen, is de jeugdrechtbank van de verblijfplaats van de persoon bij wie de jongere gewoonlijk verblijft bevoegd.

Bij een verblijfplaats in het buitenland of bij een onbekende of niet vaststaande verblijfplaats, brengt men de zaak voor de jeugdrechtbank van de plaats waar het feit is gepleegd, van de plaats waar de jongere is aangetroffen of van de woonplaats of de zetel van de persoon of de instelling aan wie hij is toevertrouwd;

Bij verandering van verblijfplaats wordt de zaak verwezen naar de jeugdrechtbank van het arrondissement van de nieuwe verblijfplaats. Maar ouders, jeugdrechter en openbaar ministerie kunnen vragen dat de zaak aanhangig blijft waar ze al aanhangig is.

 
WIE MAG ZETELEN?
De rechters van de familie- en jeugdrechtbank worden door de Koning aangewezen uit de rechters van de rechtbank van eerste aanleg.
1. De magistraten van het Parket en van de Zetel die vóór de inwerkingtreding van de wet een brevet hebben behaald waarmee zij de functies van jeugdrechter mogen uitoefenen, worden geacht een brevet te hebben behaald waarmee zij in de familierechtbank mogen zetelen.
2. De rechters van de zetel die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet, minstens drie jaar gezeteld hebben in een kamer die aangelegenheden behandelt die door de nieuwe wet aan de familierechtbank of de familiekamers worden toevertrouwd, zullen in de familierechtbank mogen zetelen zonder dat zij de voorziene opleiding moeten volgen.
3. Hetzelfde geldt voor de parketmagistraten die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet, minstens drie jaar een ambt uitoefenden in aangelegenheden betreffende de jeugdbescherming.
4. Tijdens het eerste jaar dat volgt op de inwerkingtreding van de wet mogen de magistraten die niet aan één van bovenstaande voorwaarden beantwoorden, ook worden aangewezen om in de familierechtbank te zetelen, voor zover zij de voorziene opleiding volgen en aantonen dat zij deze binnen het jaar hebben voltooid.
5. De voortgezette opleidingen zijn voor alle magistraten verplicht.

Bron: Wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank, BS 27 september 2013.
Wet van 8 mei 2014 houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake Justitie (1), BS 14 mei 2014.

Gepubliceerd op 01-09-2014

  783