Brussels hof blijft zorgenkind bij rapportering over werking hoven van beroep

Uit De Juristenkrant nr. 382 van 30 januari 2019

Ter bestrijding van de gerechtelijke achterstand zet de Hoge Raad voor de Justitie al langer in op instrumenten van interne controle. Onlangs inventariseerde de HRJ de jaarlijks gerapporteerde maatregelen die de hoven en rechtbanken daarbij nemen. Het Brusselse hof van beroep blijft echter een zwart gat wat rapportering betreft.

Gepubliceerd op 31-01-2019

Bart Nelissen en Philip Vanstapel
De Verenigde Advies- en Onderzoekscommissie

De Verenigde Advies- en Onderzoekscommissie van de HRJ boog zich over de vraag naar wat hoven en rechtbanken doen om hun werking te verbeteren, de gerechtelijke achterstand weg te werken en de naleving te waarborgen van de wettelijke termijnen inzake beraad. Aanleiding voor de studie waren de klachten over abnormaal late rechtsdagbepaling in graad van hoger beroep.

[...]

De HRJ toont zich tevreden en noteert een positieve dynamiek vermits gerechtelijke instanties ‘steeds meer aandacht hebben voor het feit dat de kwaliteitscontrole van justitie, in lijn met de aanbevelingen van de European Commission for the efficiency of justice (CEPEJ), niet alleen meer slaat op de inhoud van een gerechtelijke beslissing’. Zeker gelet op de invoering van het verzelfstandigd beheer blijkt die nieuwe opvatting over justitiële kwaliteitscontrole cruciaal. De HRJ laat wederom niet na het belang te onderstrepen van voldoende personeel om optimaal te kunnen functioneren. Hij besluit met een van zijn stokpaardjes: ‘Een gedegen instrument voor de werklastmeting is in dit verband een conditio sine qua non voor het welslagen’, besluit het rapport.

Brussel: zwart schaap

Met lede ogen en in niet mis te verstane, zelfs ietwat eufemistische bewoordingen, stelt de Hoge Raad evenwel vast dat het Brusselse hof van beroep al jaren in gebreke blijft, ondanks zeven aanmaningen: ‘Ondanks tal van herinneringen heeft het hof van beroep van Brussel zijn werkingsverslagen voor de jaren 2015, 2016 en 2017 niet meegedeeld aan de HRJ. Bijgevolg is het niet mogelijk geweest om ze in deze studie op te nemen, wat bijzonder jammer is, aangezien de behandelingstermijnen er langer zijn dan in de andere hoven.’

Eerste Voorzitter Luc Maes reageert: ‘De cijfers voor de jaren 2015, 2016 en 2017 die beschikbaar waren op het hof van beroep in Brussel bleken niet betrouwbaar en konden dan ook geen nuttige basis vormen voor een jaarverslag. De nodige maatregelen werden genomen opdat het hof over betrouwbare cijfers zou kunnen beschikken’. [...]

[...]

  558