Bewijs van rechtshandelingen door geschrift

Nic ClijmansIn burgerlijke zaken regeert het bewijs van rechtshandelingen door geschrift. Nic Clijmans schreef hierover een bijdrage die verschenen is in afl. 2017/1 van het Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht (P&B). De titel van de bijdrage is ‘De schriftelijke getuigenverklaring, de advocatenakte en de authentieke vaststelling bij deurwaardersexploot: nieuwe technieken van bewijslevering’. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Algemene regels

Wanneer de waarde van de te bewijzen rechtshandeling meer is dan 375,- euro, is een schriftelijk bewijs vereist. Voorts kan met getuigen of vermoedens nooit bewijs worden geleverd tegen of boven de inhoud van het geschrift.

Wel bepalen de artikelen 1347 en 1348 BW uitzonderingen op voormelde regels van de artikelen 1341-1345 BW en 1353 BW, namelijk in het geval van:

  • een begin van bewijs door geschrift;
  • onmogelijkheid van de schuldeiser om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen van de jegens hem aangegane verbintenis.


Rechtshandeling

Een rechtshandeling (‘negotium’) kan schriftelijk worden bewezen aan de hand van een materieel stuk (‘instrumentum’), dat naargelang van de wijze waarop het werd opgesteld, authentiek of onderhands wordt genoemd.

Authentieke akte

Een authentieke akte is het geschrift dat door een openbaar ambtenaar met inachtneming van de wettelijke vormen is opgesteld (o.m. door notarissen, rechters, gerechtsdeurwaarders, hypotheekbewaarders, ...) (art. 1317 BW). Zij geniet een volledige bewijswaarde ten aanzien van de partijen en de derden, althans wat haar authentieke vermeldingen betreft, d.i. wat de openbare ambtenaar zelf heeft kunnen vaststellen (haar datum en ondertekening, de identiteit van de partijen, ..., maar bijvoorbeeld niet de juistheid van de verklaringen). Deze bewijswaarde kan slechts worden tenietgedaan door het aanwenden van de valsheidsprocedure, geregeld door artikels 895 e.v. Ger.W. Zij heeft bovendien een uitvoerbare kracht.

Onderhandse akte

Een onderhandse akte is het geschrift dat tot bewijs van de inhoud ervan door een partij is ondertekend. Dit is een essentiële vereiste, omdat daardoor de ondertekenaar de inhoud van het geschrift tot de zijne maakt. Indien een partij haar handtekening op een tegen haar ingeroepen geschrift ontkent (art. 1323-1324 BW), kan zulks aanleiding geven tot een schriftonderzoek (art. 883-894 Ger.W.).

Sedert de inwerkingtreding van de wet van 20 oktober 2000 is een handgeschreven handtekening evenwel niet meer noodzakelijk. Artikel 1322 BW stelt thans uitdrukkelijk: “Een onderhandse akte die erkend is door degenen tegen wie men zich daarop beroept, of die wettelijk voor erkend wordt gehouden, heeft tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtverkrijgenden dezelfde bewijskracht als een authentieke akte. Kan, voor de toepassing van dit artikel, voldoen aan de vereiste van een handtekening, een geheel van elektronische gegevens dat aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend en het behoud van de integriteit van de inhoud van de akte aantoont.”

Elektronisch gesloten contracten

Contracten kunnen elektronisch gesloten worden zodra de functionele kwaliteiten van de bestaande wettelijke vormvereisten, gevrijwaard zijn, dixit artikel XII.15 WER. Artikel 1322 lid 2 BW stelt dat als handtekening in aanmerking komt “een geheel van elektronische gegevens dat aan een bepaald persoon kan worden toegerekend en het behoud van de integriteit van de inhoud van de akte aantoont”.

Andere bewijsmiddelen

Naast het schriftelijk bewijs, kent het bewijs door vermoedens, waar toegelaten, een groot succes. Een mooie toekomst is echter ook weggelegd voor een nieuw bewijsmiddel: de schriftelijke getuigenverklaring.

Het nieuwe artikel 961/1 Ger.W. bepaalt dat wanneer het bewijs door getuigen toegelaten is (met andere woorden ten aanzien van feiten en ten aanzien van rechtshandelingen met waarde tot 375,- euro), de rechter van derden verklaringen in schriftelijke vorm mag aannemen die hem inzicht kunnen verschaffen in de betwiste feiten waarvan zij persoonlijk weet hebben. De rechter kan daartoe overgaan uit eigen beweging of op verzoek van een partij. Partijen kunnen ook zelf de verklaringen aanleveren.

De schriftelijke getuigenverklaring bevat overeenkomstig artikel 961/2 alinea 3 Ger.W. het relaas van de feiten waarbij de opsteller ervan aanwezig was of die hij zelf heeft vastgesteld. Dit lijkt niet hetzelfde te zijn als “betwiste feiten waarvan zij persoonlijk weet hebben”, waarvan sprake in artikel 961/1 Ger.W. Persoonlijk ben ik van mening dat de schriftelijke verklaring zelf ter zake moet vermelden, of alleszins daaruit voldoende zeker moet blijken, of het een rechtstreekse getuigenis betreft, dan wel van ‘horen zeggen’ van een rechtstreekse getuige, in welk laatste geval de rechter uiteraard met de grootste omzichtigheid moet handelen. De indirecte schriftelijke getuigenverklaring evenwel categoriek weigeren, lijkt een brug te ver.

Het is vernieuwend te noemen dat de rechter een partij of een derde uit eigen beweging kan bevelen een schriftelijke getuigenverklaring over te leggen. In een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 januari 2014, beveelt het hof alzo uit eigen beweging een derde (in casu de Stad Antwerpen) tot voorlegging van een schriftelijke getuigenverklaring overeenkomstig artikel 961/1-3 Ger.W. met betrekking tot specifieke feiten (vragen); het hof maakt daarbij gelijktijdig toepassing van de artikels 877-878 Ger.W., op het eerste gezicht eigenaardig, omdat het hof niet vraagt om de overlegging van “een stuk dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit” s.s., doch wel om een nog op te maken getuigenis ter zake een aantal, specifieke vragen. Toch een creatieve toepassing van de genoemde wetsbepalingen. Waar het op aankomt, is dat het hof een derde die bij de feiten betrokken is, schriftelijk, een aantal gerichte vragen stelt om daarop schriftelijk antwoord te krijgen.

Arbeidshof te Brussel van 6 februari 2015

In een niet-gepubliceerd arrest van het arbeidshof te Brussel van 6 februari 2015 gaat het arbeidshof in op de vraag van de werkgever om toegelaten te worden tot het bewijs met alle wettelijke middelen, getuigen incluis, van het feit dat de ontslagen werknemer alle eigen goederen had laten ophalen via een ander personeelslid, doch beperkt de bewijslevering daarbij uitdrukkelijk tot de schriftelijke getuigenverklaring; het arbeidshof laat de werkgever toe om “aan de hand van schriftelijke getuigenverklaringen volgens de vorm en de voorwaarden gesteld in artikel 961/1 en 961/2 Ger.W. het bewijs te leveren van volgende feiten: …”. Het arbeidshof verbindt aan de neerlegging van deze verklaringen een termijn, verplicht partijen ter zake nadien conclusie te nemen en beveelt dat ze gehoord zullen worden op een welbepaalde zitting daaropvolgend. Ook hier zien we dus een eerder actieve rechter.

Schriftelijke getuigenverklaring

Het valt op dat het nieuwe instrument van de schriftelijke getuigenverklaring raakvlakken vertoont met twee andere, relatieve nieuwigheden in het Gerechtelijk Wetboek: de advocatenakte en de authentieke gerechtsdeurwaardersvaststelling. Daarmee wordt een duidelijke tendens in de wetgeving merkbaar om te komen tot een versnelling van de rechtspleging en een ‘zuiniger’ bewijsrecht.

Advocatenakte

De onderhandse akte die overeenkomstig de bepalingen van de wet door de advocaten wordt medeondertekend, levert een volledig bewijs op van het geschrift en van de handtekening van de bij de akte betrokken partijen, zowel onderling als tegenover hun erfgenamen of rechtverkrijgenden. De akte wordt medeondertekend door de advocaten van alle partijen, waarbij elke partij met een onderscheiden belang door een andere advocaat moet worden bijgestaan. Iedere partij met een eigen belang moet dus een advocaat hebben die de akte ondertekent. De bijzondere bewijswaarde van de advocatenakte is verantwoord, gelet op de beroepsernst en strikte deontologie van de advocaat. Door de akte mede te ondertekenen, verklaart de advocaat dat hij de partij of partijen die hij bijstaat, volledig heeft ingelicht over de rechtsgevolgen van die akte. Zulks wordt in de akte vermeld. Het volledige bewijs betreft het geschrift en de handtekening, niet de inhoud, noch de datum. De bijzondere bewijswaarde geldt, in tegenstelling tot de notariële akte, evenmin ten aanzien van derden. De advocatenakte is, in tegenstelling tot de notariële akte, geen uitvoerbare titel. De advocaat wordt dus wel opgetrommeld als een soort getuige, maar de bewijswaarde van het resultaat ziet enkel op het geschrift en de handtekening van partijen; die krijgen authentieke waarde; de ‘advocatenakte’ vormt evenwel geen afzonderlijk bewijsmiddel.


De gerechtsdeurwaarder


Artikel 519 §1, 2° Ger.W. bepaalt uitdrukkelijk dat de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder authentiek zijn wat betreft de materiële feiten en gegevens die de gerechtsdeurwaarder zintuiglijk kan waarnemen. Dit betekent een inperking van de appreciatiebevoegdheid die algemeen werd aangenomen in hoofde van de rechter bij de beoordeling van processen-verbaal van de gerechtsdeurwaarders. Voortaan is enkel nog betwisting van de zuiver materiële feiten die de gerechtsdeurwaarder heeft vastgesteld mogelijk via de procedure van valsheid in geschrifte.


Evaluatie

De nieuwe schriftelijke getuigenverklaring is een ‘getuige’ van de ratio legis achter het (vernieuwde) artikel 875bis Ger.W.: als eenvoudig, goedkoop en flexibel bewijsmiddel beantwoordt het perfect aan de voorkeur van de wetgever voor snelle en goedkope onderzoeksmaatregelen. In zijn meest creatieve toepassing rijst evenwel de vraag of de accusatoire aard van de burgerlijke rechtspleging en de regels omtrent de bewijslastverdeling wel worden geëerbiedigd.

De advocatenakte lijkt een slag in het water te zijn; dit wegens zijn beperkte meerwaarde en de betrokken beroepsaansprakelijkheid van de advocaat.

Een schot in de roos daarentegen is de authentieke vaststelling bij deurwaardersexploot: het betreft hier een praktisch instrument met het oog op het bewijs van materiële feiten.

Aan de praktijk om dit alles te ondervinden.



De auteur is advocaat en praktijkassistent burgerlijke procesrecht aan de VUB.

Bron: Nic CLIJMANS, “De schriftelijke getuigenverklaring, de advocatenakte en de authentieke vaststelling bij deurwaardersexploot: nieuwe technieken van bewijslevering”, P&B 2017, afl. 1, 3-10.

De volledige tekst vindt u in het Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht (P&B). Klik hier voor meer informatie over het Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht (P&B), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

Op Jura vindt u meer rechtsleer over bewijslevering.


Gepubliceerd op 26-04-2017

  2609