Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek bestaat 15 jaar

Bestendig handboek deskundigenonderzoekTer gelegenheid van het vijftienjarig bestaan van het Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek (BHDO) sprak LegalWorld met de oprichter ervan, prof. dr. ir. Didier De Buyst (Veritas per Scientiam). Hierna vindt u een schriftelijke weergave van dit interview.

Wat is de ontstaansgeschiedenis van het BHDO?

Toen ik in 1993, juist na het behalen van mijn doctoraat, startte als gerechtsdeskundige in industriële geschillen, waren er quasi geen referentiewerken voorhanden tenzij het boek van Cloquet en dat van Lurquin dat weliswaar in het Frans opgesteld was, en beide waren toen al van respectabele leeftijd, zonder daarom voorbijgestreefd te zijn. Er was evenwel nood aan een allesomvattend werk, niet alleen ten behoeve van de magistraat en de advocaat (de juristen) maar ook van de gerechtsdeskundigen en dit over alle disciplines heen, gaande van de burgerlijk ingenieur over de architect, de arts, de revisor c.q. accountant, de landmeter, tot de kunstexpert. Bij Wolters Kluwer was men meteen voor het idee gewonnen, en na een gestatie van een tweetal jaar is de eerste editie in 2000/2001 verschenen. Er werd toen resoluut gekozen voor een losbladig werk omdat het bij definitie een magnus opus zou worden waarvan de redactie in etappes dient te gebeuren.

Hoe ver staat u, na 15 jaar, met dat 'magnus opus'?

Het is zo goed als klaar, voor zoverre men ooit met een dergelijke onderneming klaar kan zijn uiteraard. Ik bedoel hiermee dat we quasi alle aspecten van een deskundigenonderzoek, zowel in burgerlijke als in strafzaken, gecoverd hebben evenals – voor zoveel mogelijk – alle technische aspecten ervan, gaande van empirisch onderzoek, over milieuschade, landbouw- en tuinbouwschade, brand en aanverwante, maritieme zaken, maar ook de bedrijfseconomische aspecten zoals bedrijfsverliezen e.d. Zelfs deskundigenonderzoek voor de Raad van State komen hierin aan bod, alsook in sociale materies, wat zeker niet courant is. Er zijn ongetwijfeld nog een aantal zeer specifieke materies die behandeld zouden kunnen worden, en we trachten elk jaar zo’n zeer specifiek aspect op te nemen in de aanvulling. Ten andere, ook de generieke delen worden met de regelmaat van de klok geüpdatet. Het is dus niet zo dat we op ons lauweren rusten. En zo is het een never ending story

In welke mate zijn de in het BHDO ontwikkelde visies en standpunten als algemeen aanvaard te beschouwen?

Naast de hoofdredactie die uit vier specialisten bestaat (naast mezelf als burgerlijk ingenieur zijn er drie juristen, waarvan één eremagistraat en twee advocaat zijn), doen we een beroep op een waaier van auteurs – het zijn er een vijftigtal – die elk in hun domein een ware expert zijn. Het gaat niet alleen om gespecialiseerde advocaten en magistraten, maar ook om universiteitsprofessoren, consultants, representatieve deskundigen die meestal actief zijn in hun beroepsfederatie, etc. De hoofdredactie screent elke bijdrage alvorens ze op te nemen op zeer kritische wijze. Dat betekent niet dat iemand het met bepaalde standpunten c.q. stellingen niet eens kan zijn. In een dergelijk complexe wereld bestaat er bij definitie geen uniforme visie. En gelukkig maar in zekere zin.

Wat zijn de ambities van het BHDO?

We wensen dé referentie in het Nederlandse taalgedeelte te worden. Onze troeven zijn hierbij naast de allesomvattendheid van het naslagwerk het feit dat het elk jaar wordt geüpdatet niet alleen naar aanleiding van wetswijzigingen (al zijn het er de laatste jaren wel wat geweest, dan nog is dat geen jaarlijks terugkerend fenomeen) maar ook naar aanleiding van nieuwe tabellen, conventies, bepalingen e.d. die soms jaarlijks worden bijgewerkt zoals bijvoorbeeld de erelonen voor deskundigen in strafzaken. Het feit dat we een losbladig werk zijn met een jaarlijkse bijwerking is daarbij een zegen en een vloek nu de daarbij horende recurrente jaarlijkse kost velen ervan weerhoudt om abonnee te worden.

Is er sinds 2000 een evolutie merkbaar geweest voor wat gerechtelijk deskundigenonderzoeken betreft?

In 2007 werden de spelregels grondig gewijzigd en alhoewel de bedoelingen zeker nobel te noemen waren, heeft de wetswijziging haar doel compleet gemist. Het resultaat is een enorme entropietoename geweest en dat is ingenieurstaal voor inefficiëntie. Bestendig handboek deskundigenonderzoekDe griffies werden van vandaag op morgen geconfronteerd met een administratieve en boekhoudkundige rompslomp waarvoor ze noch de mankracht noch de software hebben. Het aantal gerechtsbrieven is exponentieel toegenomen en daarmee werd een negatieve bijdrage aan het behoud van het regenwoud geleverd evenals aan de reductie van de uitstoot van broeikasgassen. De meerwaarde voor de rechtszoekende was zeer beperkt: door de financiering via de rechtbanken te laten passeren wordt veel vertraging geïnduceerd, zeker in moeilijke en tijdrovende onderzoeken in industriële geschillen waarbij op derden (laboratoria) een beroep moet worden gedaan. In industriële geschillen bestaat een groot onbegrip hiervoor: een projectdirecteur die een geschil heeft met een engineeringcontractor kan niet begrijpen dat er soms maanden verloren gaan om de provisie goedgekeurd, geconsigneerd en vrijgegeven te krijgen om de nodige capaciteitstesten te doen (wat een dure zaak kan zijn zodat de gerechtsdeskundige ze niet wenst of kan voorschieten) daar waar het bedrijf bereid is om het nodige bedrag onmiddellijk te storten op de rekening van de gerechtsdeskundige, wat uiteraard verboden is. Er is ook een pervers effect: de drempel om dat beroep uit te oefenen, en aldus tot meer professionalisering te komen, is hoger geworden. Het op til staande nationaal register zal bitter weinig veranderen aan de aantrek-kingskracht voor relatief jonge burgerlijk ingenieurs die deze carrièrewending willen nemen.

Zijn er dan echt geen gunstige effecten geweest?

Jawel, de toegankelijkheid tot de rechtbank is voor de gerechtsdeskundige veel groter geworden en dat is heilzaam. In het begin van mijn carrière was er reeds een artikel 973 Ger.W. (weze het in een iets andere libellering) maar het was absolutely not done om hiervan toepassing te vragen. Ik heb zelfs zaken in herinnering waarbij nooit gevolg werd gegeven aan een dergelijk verzoekschrift omdat “de rechter niet inzag wat hij moest doen” zoals dan informeel werd meegedeeld wanneer men bij de griffie informeerde waarom er maar geen oproeping kwam! Een bijkomend gunstig effect voor justitie is dat het aantal bevolen onderzoek sterk gedaald is, maar die trend bestand al vóór de Wet van 22 mei 2007.

Hoe ziet u de toekomst in?

Er zou weinig nodig zijn om de efficiëntie te verhogen en aldus tientallen griffiers en griffiebeambten te kunnen assigneren aan belangrijker taken dan vonnis uittikken, afdrukken en per gerechtsbrief opsturen om provisies toe te kennen en in navolging hiervan een ganse boekhouding te voeren. Het volstaat om de rechtbank, bij het uitvoeren van haar toezicht, enkel maar te laten tussenkomen in geval van betwisting, en niet zoals dat nu het geval is telkenmale wanneer een bijkomende provisie dient te worden gevraagd of wanneer de termijn verstreken is. En al zeker niet de griffies te gebruiken om gelden te laten transiteren. Het volstaat om enkele artikels van het Gerechtelijk Wetboek aan te passen en één overgangsbepaling te maken (iets wat men in 2007 trouwens totaal uit het oog verloren was).

Iets anders nu: bemiddeling is de laatste jaren een hot topic nu bepaalde rechtbanken in de toekomst nog enkel erkende bemiddelaars als gerechtskundige willen aanstellen. Wordt dat ook in het BHDO gecoverd?

Hoewel bemiddeling iets totaal anders is dan een deskundigenonderzoek – wat niet belet dat bepaalde bemiddelingstechnieken zeer succesvol kunnen worden toegepast bij het verzoenen van partijen – wordt dat onderwerp wel degelijk in het BHDO aangesneden, weze het om de lezer attent te maken op de verschillen tussen een deskundigenonderzoek en een bemiddeling en aldus niet in een aantal pitfalls te vallen. Hetzelfde geldt ten andere voor de arbitrage.




Gepubliceerd op 16-12-2015

  554