Anderhalf jaar IOS. Een evaluatie.

Op 2 juli 2016 is een nieuwe, buitengerechtelijke invorderingsmogelijkheid in werking getreden, gericht op handelsschulden tussen ondernemingen. IOS (invordering onbetwiste schuldvorderingen) wil een snellere en goedkopere manier van invordering zijn voor onbetwiste schuldvorderingen in een B2B-context. Anderhalf jaar later maakt Tijl De Jaeger een stand van zaken op. Zijn bijdrage verscheen op 27 december 2017 in aflevering 373 van het Nieuw juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 27-12-2017

njw-373

IOS wil een snellere en goedkopere manier van invordering zijn voor onbetwiste schuldvorderingen in een B2B-context. Volgens de wetgever is IOS voordelig voor schuldeiser, schuldenaar en Justitie. In bepaalde gevallen staan de baten voor de ene actor echter haaks op de belangen van de andere actor. Dit resulteert in juridische twistpunten die – naast de juridisch-technische onvolmaaktheden van IOS – het voorwerp hebben uitgemaakt van verscheidene rechterlijke beslissingen.

Na een bondige duiding van het juridisch kader van IOS, onderzoekt de auteur of de schuldeiser vrij mag kiezen voor een gerechtelijke invordering wanneer zijn schuldvordering onder het toepassingsgebied valt van IOS. De auteur bespreekt de verschillende visies in de rechtspraak en gaat in op de draagwijdte van het cassatiearrest van 12 oktober 2017 (NjW 2017, afl. 373, 896), waarin het Hof zich voor het eerst over die problematiek uitspreekt. Nadien volgt een analyse van situaties waarin de schuldenaar de vordering betwist tijdens dan wel na afloop van IOS. De dilatoire schuldenaar komt aan bod en verschillende gebreken in de bestaande wettelijke regeling worden blootgelegd. Tot slot gaat de auteur een, tijdens het parlementaire debat van Potpourri I, geopperde suggestie na, in het licht van de vastgestelde pijnpunten.

In een nabeschouwing worden de theoretische beschouwingen genuanceerd door in te gaan op het effectieve gebruik van IOS en de cijfermatige resultaten ervan.


In deze bijdrage van Tijl De Jaeger wordt er in voetnoten verwezen naar rechtspraak die hier in extenso ingezien kan worden:

  690