Btw voor advocatendiensten blijft gehandhaafd


Het Hof van Justitie ziet geen graten in de Belgische btw-heffing voor advocaten.

Volgens het Europees Hof van Justitie is de opheffing van de btw-vrijstelling voor advocaten niet strijdig met het recht op een eerlijk proces en toegang tot de rechter.

De Belgische advocatenordes waren voor het Grondwettelijk Hof een procedure gestart tegen het opheffing van de btw-vrijstelling voor advocaten (België had de vrijstelling lang gehandhaafd op grond van de overgangsbepaling van artikel 371 van richtlijn 2006/112). Het Grondwettelijk Hof stelde op zijn beurt een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van de richtlijn met het handvest van de grondrechten van de Unie (in samenlezing met het EVRM en het IVBPR) over het recht op vertegenwoordiging en verdediging en op (betaalbare) bijstand, en het verdrag van Aarhus over het recht op toegang tot de rechter.

De advocatenordes hekelden met andere woorden dat door de invoering van het 21-procent-btw-tarief de toegang tot de rechter niet meer gegarandeerd is voor burgers die geen recht hebben op rechtsbijstand, te meer omdat er niet voorzien is in een verlaagd btw-tarief voor advocatendiensten.

Het Hof van Justitie volgt die zienswijze niet. Het Hof ziet geen graten in de btw-heffing van 21 procent. Ook hoeft er geen vrijstelling te zijn voor burgers die rechtsbijstand genieten.

HvJ 28 juli 2016, C-543/14 

Gepubliceerd op 29-07-2016

  299