Aanvullende belastingbevoegdheid van lokale besturen

Tom Bonne en Stef Keunen staan stil bij het begrip van de interbestuurlijke loyauteit in de context van een reeks beslissingen van de Raad van State over het inzagerecht van de gemeenten in bestuursdocumenten van de federale overheid. Hun bijdrage verscheen op 26 september 2018 in aflevering 387 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 26-09-2018

bonne-tom
Tom Bonne
KEUNEN Stef
Stef Keunen
njw-387

De gemeente is bevoegd voor alles wat van gemeentelijk belang is. Ze zijn evenwel afhankelijk van o.a. de financiële middelen waarover zij beschikken. Bij een aantal van de gemeentelijke financieringsbronnen bestaat de mogelijkheid dat een andere bestuurslaag door het nemen van bepaalde initiatieven een impact heeft op de financiële situatie van de gemeente. Het is deze afhankelijkheid die in de bijdrage centraal staat. Specifiek wordt ingegaan op de aanvullende belastingbevoegdheid van de lokale besturen.

Impact

Bij de aanvullende belastingbevoegdheid wordt de basisbelasting geheven door de (federale of regionale) belastingheffende overheid. De gemeenten kunnen slechts een aanvullende belasting heffen op dat gedeelte. Deze aanvullende belasting heeft betrekking op de personenbelasting, de onroerende voorheffing en de verkeersbelasting. Wanneer de belastingheffende overheid evenwel de basisbelasting aanpast, heeft dit gevolgen voor de financiële situatie van de gemeenten. Te denken valt aan de tax shift waarbij de impact op de opbrengsten uit de aanvullende personenbelasting groot is. Een ander voorbeeld, waarop dieper ingegaan wordt, is de toekenning van vrijstellingen of het verlagen van de basisbelasting door de hogere overheid. Informatie-uitwisseling is in dergelijke gevallen aangewezen. Dit bleek recent nog uit een reeks arresten van de Raad van State van 13 oktober 2017.

Informatie-uitwisseling en interbestuurlijke loyauteit

In de zaken voor de Raad van State had de federale administratie een belastingvermindering van de onroerende voorheffing toegekend aan een aantal bedrijven. Wanneer de gemeenten in kwestie om inzage vroegen in de documenten waarin die vermindering werd toegekend, weigerde de Administratie dit o.a. op grond van het beroepsgeheim van de fiscus. De Raad van State oordeelde echter dat dit beroepsgeheim niet van toepassing was aangezien de gemeenten niet als derden worden beschouwd en de federale administratie niet handelt buiten de uitoefening van haar bevoegdheden. De federale administratie had bijgevolg inzage moeten verlenen in de documenten. Deze oplossing is curatief van aard. Het is evenwel aangewezen om de gemeenten al in een vroeger stadium te betrekken bij dergelijke (voor hen) ingrijpende wijzigingen.

De auteurs stellen hiervoor het beginsel van de ‘interbestuurlijke loyauteit’ voor. Dit beginsel moet in die zin worden ingevuld dat de verschillende bestuursniveaus met elkaar in debat gaan en met elkaar rekening houden bij het uittekenen van beleid. De interactie tussen de verschillende niveaus dient op een loyale manier plaats te vinden, waarbij het principe van subsidiariteit voorop staat. De ‘interbestuurlijke loyauteit’ dient als een algemeen beginsel te worden geïmplementeerd dat transponeerbaar is naar andere financieringsbronnen, alsook naar eender welk beleidsdomein waarbij verschillende bestuursniveaus betrokken zijn. Inspiratie kan in Duitsland worden gevonden. Daar bestaat een gelijkaardige verplichting als de door de auteurs opgeworpen interbestuurlijke loyauteit. In Duitsland ligt dit vervat in het ‘Gebot des Gemeindefreundlichen Verhaltens’, een beginsel dat ook af te leiden is uit artikel 28 van de Duitse Grondwet.

Over de auteurs

Tom Bonne  en Stef Keunen zijn assistent aan de faculteit rechten van de Universiteit Hasselt. Ze zijn ook verbonden aan de onderzoeksgroep CORe.

  273