Wettelijke samenwoning - wettelijk en conventioneel secundair stelsel

De Schrijver LynnLynn De Schrijver actualiseert de toelichting bij artikel 1478 BW in aflevering 76 van Commentaar personen- en familierecht. Deze bepaling bevat het wettelijk secundair vermogensrecht van wettelijk samenwonenden en biedt hen tegelijk de mogelijkheid er bij overeenkomst van af te wijken. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Secundair samenwoningsstelsel
De eerste twee leden van artikel 1478 BW voeren in essentie een scheiding van goederen in. Elke partner behoudt de goederen waarvan hij de eigendom kan bewijzen en de opbrengsten uit arbeid. Voor de goederen waarvan geen van beide de (exclusieve) eigendom kan bewijzen, geldt een vermoeden van onverdeeldheid. Deze summiere regeling heeft tot gevolg dat bij problemen vaak moet worden teruggegrepen naar het gemeen proces-, verbintenissen- of zakenrecht. Zo ontbreekt een bijzondere regeling voor het bewijs van de exclusieve eigendom van roerende goederen. Ook vermogensverschuiving, bij discrepantie tussen eigendom en financiering, is een bron van conflict: voor een vergoeding zal de benadeelde moeten terugvallen op het verbintenissenrecht. Bij het einde van de wettelijke samenwoning moeten de partners overgaan tot een minnelijke of gerechtelijke vereffening-verdeling volgens de regels van de mede-eigendom.

Vermoeden van schenking
Behoudens tegenbewijs, beschouwt artikel 1478 lid 3 BW de helft van de onverdeeldheid uit het tweede lid ten aanzien van de reservataire erfgenamen als een schenking. Deze bepaling was oorspronkelijk bedoeld voor familiale wettelijke samenwoningen, maar is sinds de invoering van artikel 745octies §1 BW in principe steeds van toepassing. Bij de redactie anno 1998 werden verschillende zaken onduidelijk geformuleerd of over het hoofd gezien.

Samenlevingsovereenkomst
Een conventionele regeling kan onzekerheden en betwistingen die uit de beperkte wettelijke regeling voortvloeien, verhelpen. De partners beschikken over een grote contractuele vrijheid met de wilsautonomie als uitgangspunt. Desondanks moet rekening worden gehouden met de inhoudelijke restricties voorgeschreven door artikel 1478 lid 4 BW, die in feite slechts het gemeen recht bevestigen. De auteur belicht de meest courante clausules, maar ook de concrete grenzen aan de contractuele vrijheid. Verder wordt de overeenkomst op straffe van absolute nietigheid in de notariële vorm verleden en wijzigt de beperkte publiciteit in het bevolkingsregister met de inwerkingtreding van de wet van 14 januari 2013. Vanaf dan zal de overeenkomst in het centraal huwelijksovereenkomstenregister worden opgenomen, wat ook een weerslag zal hebben op haar tegenwerpelijkheid. Op 1 september 2014 treden leden vijf tot en met zeven van het artikel in werking, dewelke nadere regels bevatten omtrent de bekwaamheid tot het aangaan van de overeenkomst.


Bron: Lynn DE SCHRIJVER, "Art. 1478 BW", in Art. Comm. Personen- en familierecht, afl. 76.

De volledige tekst vindt u in Artikelsgewijze Commentaar Personen- en familierecht (Art. Comm. Personen- en familierecht). Klik hier voor meer informatie over Artikelsgewijze Commentaar Personen- en familierecht (Art. Comm. Personen- en familierecht). 

Op Jura vindt u meer rechtsleer over wettelijke samenwoning.



Gepubliceerd op 17-09-2014

  321