Toekomst van de circulaire vastgoedeconomie

Benjamin Verheye schreef voor het Tijdschrift voor Privaatrecht (TPR 2019/1) een bijdrage over de de toekomst van de circulaire economie. Hij behandelt de verschillende goederenrechtelijke problemen die bestaan naar Belgisch en Nederlands recht om de circulaire economie uit te rollen in de vastgoedsector. Hij formuleert ook een voorstel tot oplossing voor deze problemen.

Gepubliceerd op 02-07-2019

gebouw

Circulaire economie in de vastgoedsector

De circulaire economie is momenteel één van de meest veelbelovende denksporen om de Belgische economie duurzamer te maken. Eén van de uitwerkingen van de circulaire economie staat bekend als het dienstenmodel: in plaats van goederen te verkopen aan de consument biedt de producent van deze goederen de consument het gebruik van dit goed aan, zonder dat de eigendom van dit goed wordt overgedragen.

Ook in de vastgoedsector worden steeds meer circulaire initiatieven uitgerold, maar men stuit daarbij op bepaalde goederenrechtelijke grenzen en dit zowel in het Belgische als in het Nederlandse recht.

Goederenrechtelijke grenzen en opportuniteiten

In de eerste plaats staat de onroerende natrekking, een gevolg van de figuur 'bestanddeelvorming' die op haar beurt een toepassing van het eenheidsbeginsel is, in de weg aan verhuurschema’s voor roerende voorwerpen (goederen of zaken) die worden geïncorporeerd in of verenigd met vastgoed. De verhuurder van dergelijk roerend voorwerp verliest namelijk, in principe, zijn eigendomsrecht op het goed aan de vastgoedeigenaar ingevolge de onroerende natrekking.

Deze bijdrage toont echter aan hoe men deze problematiek kan oplossen met een ruimere interpretatie van de klassieke uitzondering op de onroerende natrekking, met name het opstalrecht. Dergelijke ruimere interpretatie is nodig, omdat men onder de huidige interpretatie vereist dat de opstallen een zekere zelfstandigheid vertonen (de zelfstandigheidsvereiste), terwijl men in de circulaire economie net alle bestanddelen van vastgoed, dus ook de zonnedakpannen of de gevelmodules, wil kunnen inpassen in een verhuurschema. Deze ruimere toepassing van het opstalrecht komt eigenlijk neer op een minder strikte en modernere interpretatie van het eenheidsbeginsel, die gerechtvaardigd is omdat de aan dat beginsel ten grondslag liggende rationes, met name de rechtszekerheid en de waardebescherming, in een circulaire economie beter op een andere wijze worden nagestreefd dan door een beperking te stellen aan het voorwerp van het opstalrecht. Dit artikel werkt deze oplossing uitvoerig uit naar Belgisch en Nederlands recht.

Ten tweede is het de vraag of de verschillende partijen bij de verhuur van roerende voorwerpen die niet worden geïncorporeerd in of verenigd met vastgoed wel voldoende beschermd worden tegen de verschillende risico’s waarmee zij zich geconfronteerd ziet, bijvoorbeeld: een verkopende huurder, de insolvabiliteit van de tegenpartij, etc. Ook voor deze risico’s formuleert deze bijdrage enkele mogelijke oplossingen.

Op deze manier hoopt dit artikel bij te dragen aan de toekomst van de Belgische en Nederlandse circulaire vastgoedsector.

De auteur

verheye-benjamin

Benjamin Verheye is verbonden aan de KU Leuven, campus Kortrijk.

 

 

  652