Tijdelijke versus definitieve overmacht

Michael de Potter de ten BroeckMichaël de Potter de ten Broeck stelt in een rechtsvergelijkende bijdrage zes concrete factoren voor om een tijdelijke overmachtssituatie van een definitieve te onderscheiden. Deze bijdrage verscheen in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) van 31 mei 2017 (nr. 363). Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

'A l’impossible nul n’est tenu', maar voor hoe lang dan wel? Hoe lang is een contractpartij die met overmacht kampt, er niet toe gehouden om haar verbintenis(sen) uit te voeren? Vanaf wanneer kan die contractpartij met andere woorden opnieuw contractueel aansprakelijk zijn als ze haar verbintenis(sen) niet uitvoert?

De vraag rijst dus hoe een tijdelijke overmachtssituatie van een definitieve overmachtssituatie is te onderscheiden. Hoe kunnen de partijen of de feitenrechters uitmaken of een overmachtssituatie definitief dan wel tijdelijk zal zijn? Het brengt weinig zoden aan de dijk om, zoals klassiek voorgestaan, de duur van de overmachtssituatie af te meten aan de duur van de onmogelijkheid om de verbintenis(sen) uit te voeren. Ook voor de duur van de onmogelijkheid ontbreekt immers een objectieve maatstaf.

Het belang van een meer rechtszeker antwoord vindt uitdrukking in de uiteenlopende rechtsgevolgen die van toepassing zijn naargelang de contractpartijen tijdelijk dan wel definitief hun verbintenissen niet moeten uitvoeren (schorsing versus mogelijke beëindiging van de overeenkomst). Daarenboven heeft het economisch verkeer nood aan rechtszekerheid, die op haar beurt een zo voorspelbaar mogelijk antwoord op de voormelde vraag vereist.

Deze rechtsvergelijkende bijdrage stelt de volgende zes meer concrete factoren voor om een tijdelijke overmachtssituatie van een definitieve te kunnen onderscheiden:

  • het voorspelbare einde van de wijziging van omstandigheden;
  • de feitelijke omstandigheden die de uitvoering van de verbintenis omkaderen;
  • de maatregelen om de gevolgen van de wijziging van omstandigheden te verhelpen;
  • de inspanningen vereist om de tijdelijke overmachtssituatie te overbruggen;
  • de uitvoeringstermijn van de door overmacht getroffen verbintenis of de ermee wederkerige verbintenis; en
  • de alternatieven waarover de schuldeiser beschikt.

Deze zes factoren kunnen de contractpartijen en de feitenrechters een handje helpen bij de moeilijke oefening om te bepalen of de contractpartijen omwille van overmacht tijdelijk dan wel definitief hun respectieve verbintenissen niet moeten uitvoeren zonder daarvoor contractueel aansprakelijk te zijn. De op heden vaak voorgestane vage formules voor het onderscheid tussen een tijdelijke en een definitieve overmachtssituatie krijgen met deze factoren een meer concrete invulling.
 



De auteur is vrijwillig medewerker bij de vakgroep metajuridica, privaat en ondernemingsrecht (UGent).

Bron: Michaël DE POTTER DE TEN BROECK, “Tijdelijke versus definitieve overmacht”, NjW 2017, afl. 363, 378-383.

De volledige tekst vindt u in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW). Klik hier voor meer informatie over het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

NjW kan ook gelezen worden op smartphone en tablet. Wie al een abonnement heeft op de papieren versie geniet van een voordeeltarief. Klik hier voor meer informatie over NjW mobiel.

>>> Als u nu een jaarabonnement neemt op NjW ontvangt u gratis het volledige artikel van Michaël de Potter de ten Broeck in pdf-formaat. Zend hiervoor een e-mail met vermelding van alle vereiste contactgegevens voor de levering en facturatie van uw abonnement naar: njw@wolterskluwer.be.

De website van NjW: www.e-njw.be

Op Jura vindt u meer rechtsleer over overmacht.


Gepubliceerd op 31-05-2017

  482