Onderwijs en aansprakelijkheid

Naar aanleiding van een arrest van het hof van beroep te Gent van 30 maart 2017 gaat Frederick Bruloot dieper in op de buitencontractuele aansprakelijkheid van scholen wanneer ze onderwijshulp weigeren aan leerlingen die dit nodig hebben. Zijn bijdrage verscheen in afl. 366 van het Nieuw juridisch Weekblad (NjW) van 20 september 2017.

Gepubliceerd op 27-09-2017

bruloot-frederick-2

Het is bon ton te zeggen dat we niemand mogen uitsluiten. Niet op het werk, niet op restaurant, niet in sport of spel. Laat staan dat we accepteren dat een beperking iemand mag hinderen bij het school lopen! Om die goede bedoelingen afdwingbaar te maken, zijn heel wat concepten uitgewerkt die personen met een handicap een recht geven op aanpassingen die hun functioneren bevorderen. Het gaat om echte afdwingbare (mensen)rechten. De auteur behandelt een arrest van het hof van beroep te Gent van 30 maart 2017 dat beslist dat de miskenning van een leerlingenrecht een onrechtmatige daad is. De school van een zieke scholiere weigerde pertinent om het nadeel van haar aandoening te verlichten door een leraar bij haar thuis te sturen om les te geven. Nochtans had ze daar recht op. Het hof van beroep veroordeelt de school tot vergoeding van het verlies van de kans van de leerlinge om toch voor haar studiejaar te slagen.

Het arrest begeeft zich op de grens van het bestuurs- en het verbintenissenrecht om uit te maken of een chronisch scholiere ten onrechte faciliteiten zijn geweigerd om haar leermogelijkheden te verbeteren. De beslissing behandelt meerdere rechtsvragen en oordeelt in hoofdzaak over:

  • de aard van het recht op tijdelijk onderwijs aan huis en het synchroon internetonderwijs,
  • de beoordelingsmarge van de school voor het toekennen van tijdelijk onderwijs aan huis,
  • een schade-eis wegens miskenning van het recht op tijdelijk onderwijs aan huis,
  • de vergoedbaarheid van het verlies van een kans wegens het falen in een schooljaar.


De auteur analyseert die beslissing, legt de link met het inclusief onderwijs en de redelijkeaanpassingenplicht en geeft kritische opmerkingen. Naast de onderwerpen die het arrest zelf aansnijdt, behandelt hij:
 

  • de bredere context en de grondslag van een recht zoals het tijdelijk onderwijs aan huis,
  • de mogelijke sancties van een inbreuk op zo’n recht,
  • de juridische aard van de relatie leerling–vrije school,
  • de concrete betekenis van het samenloopverbod,
  • het bepalen van de vergoedbare schade in geval van verlies van een kans.

 
De slotsom is dat een school niet mag denken dat leerlingenrechten gunsten zijn onder haar autonome zeggenschap. Doet ze dit wel, dan schendt ze belangen van een leerling. En voor de nadelen van zo’n inbreuk riskeert ze aansprakelijkheid. In het ergste geval draagt haar onrechtmatige weigering bij tot het falen van een leerling in een studiejaar en van geval tot geval kan de daarvoor begrote schade zware proporties aannemen. Bovendien loopt een school dan het risico werkingsmiddelen deels aan de overheid te moeten terugbetalen. Kort na de beslissing kondigde de minister van onderwijs aan meer middelen vrij te maken om individuele noden van zieke leerlingen te lenigen. De inclusiegedachte lijkt haar in elk geval menens. Laat een gewaarschuwde school er dus voortaan drie waard zijn!


Bron: Frederick BRULOOT, “Onderwijs en aansprakelijkheid. Recht op redelijke aanpassingen”, NjW 2017, afl. 366, 514-526.

  599