Interpretatie dadingsovereenkomst

WAELKENS JohannaJohanna Waelkens beschrijft in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) van 12 november 2014 (afl. 310) de interpretatie van de dadingsovereenkomst vanuit een praktisch oogpunt. Ze zet de uitleggingsregels die eigen zijn aan de dading uiteen. Daarbij heeft ze aandacht voor hun specifieke betekenis en onderlinge verhouding. Ook de interne en externe hulpmiddelen die de rechter ter beschikking heeft bij het interpreteren komen aan bod. Hierna vindt u een korte samenvatting van deze bijdrage.

De bijdrage vertrekt vanuit een in de praktijk veel voorkomende situatie. Na een schadegeval sluiten slachtoffer en aansprakelijke derde, of zijn verzekeraar, een dading over de te betalen schadevergoeding. Op die manier zorgen ze ervoor dat de vordering tot het verkrijgen van een schadevergoeding onmogelijk wordt, omdat ze niet meer kunnen terugkomen op hun vroegere rechtsverhouding. Toch blijkt uit de rechtspraak dat de gelaedeerde partij, die geconfronteerd wordt met een verergering van de schade of nieuwe letsels en de daaraan verbonden onvoorziene kosten, regelmatig aanspraak maakt op een bijkomende vergoeding. Men kan dan argumenteren dat het bij het aangaan van de dading de gemeenschappelijke wil van de partijen was om de draagwijdte ervan te beperken en niet alle gevolgen van het schadegeval te viseren. De gevolgen van onvoorzienbare later optredende schade zijn dan niet definitief geregeld, zodat er wel nog een vordering kan ingesteld worden. Dit is een kwestie van interpretatie.

Op de dading zijn enkele specifieke interpretatieregels van toepassing. Artikel 2049 BW beschrijft het principe van restrictieve interpretatie, terwijl artikel 2048 BW een strikte uitlegging voorstaat. Deze regels worden in de rechtspraak meer dan eens ongenuanceerd toegepast. Nochtans is het onderscheid in de praktijk belangrijk: de appreciatiemarge voor de rechter is groter op basis van artikel 2048 BW dan ingevolge artikel 2049 BW.

De fundamentele regel voor het interpreteren van een dading van artikel 2049 BW, is dezelfde als deze uit het gemeen recht: de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen moet primeren. Om deze intentie te achterhalen, mag de rechter gebruik maken van interne elementen, namelijk de tekst van de overeenkomst zelf, en van externe elementen, die zeer uiteenlopend zijn.

Regelmatig moet de rechter oordelen dat het voorwerp van de overeenkomst geen onvoorziene schade omvatte. Dit komt de rechtszekerheid geenszins ten goede, want op die manier zijn partijen nooit honderd procent zeker van de uitdovende werking van hun overeenkomst. Partijen doen er dan ook goed aan, wanneer ze dergelijke uitleggingsgeschillen willen vermijden, bij het opstellen van een dading te anticiperen op mogelijke toekomstige aanspraken. Wanneer duidelijk uit de bewoordingen van het contract, aangevuld met externe omstandigheden, blijkt dat beide partijen goed wisten waartoe ze zich verbonden, en wanneer de draagwijdte van het contract volledig is beschreven, beschermen ze zich tegen latere geschillen. 


De auteur is als doctoraatsbursaal verbonden aan het Centrum voor rechtsmethodiek (KU Leuven).

Bron: Johanna WAELKENS, “Interpretatie dadingsovereenkomst”, NjW 2014, afl. 310, 770-787.

De volledige tekst vindt u in het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW). Klik hier voor meer informatie over het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

NjW kan ook gelezen worden op smartphone en tablet. Wie al een abonnement heeft op de papieren versie geniet van een voordeeltarief. Klik hier voor meer informatie over NjW mobiel.

>>> Als u nu een jaarabonnement neemt op NjW ontvangt u gratis het volledige artikel van Henri Vandebergh in pdf-formaat. Zend hiervoor een e-mail met vermelding van alle vereiste contactgegevens voor de levering en facturatie van uw abonnement naar: njw@wolterskluwer.be.

De website van NjW: www.e-njw.be

Op Jura vindt u meer rechtsleer over de interpretatie van dadingsovereenkomsten.




Gepubliceerd op 12-11-2014

  445