Internationale ouderlijke verantwoordelijkheid

Kruger ThaliaThalia Kruger schreef een bijdrage met als titel 'Internationale ouderlijke verantwoordelijkheid' voor 'Personen- en familierecht Artikelsgewijze commentaren'. Zij bespreekt de internationale bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing, de administratieve samenwerking en internationale kinderontvoering. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Lees het volledige artikel op Jura.

Het internationaal privaatrecht (IPR) over ouderlijke verantwoordelijkheid (of ouderlijk gezag) is op verschillende plaatsen geregeld. Op EU-vlak bestaat de Brussel IIbis-Verordening (Verordening nr. 2201/2003). Op internationaal vlak zijn de belangrijkste verdragen het Kinderontvoeringsverdrag van Den Haag van 1980 en het Kinderbeschermingsverdrag van Den Haag van 1996. De nationale regels van het Wetboek Internationaal Privaatrecht (WIPR) hebben hun belang bijna volledig verloren. Het Gererechtelijk Wetboek is wel nog pertinent voor de concrete procedures en het bepalen van de interne bevoegdheid van de Belgische gerechten.

Internationale bevoegdheid
De hoofdregel van internationale bevoegdheid verwijst naar de gerechten van de gewone verblijfplaats van het kind. De bedoeling van deze regel is dat het gerecht dat het dichtst staat bij het kind maatregelen kan nemen. Een logische regel, maar het is niet altijd eenvoudig de gewone verblijfplaats vast te stellen, vooral wanneer het gaat over een jong kind dat al in verschillende landen heeft gewoond. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat verschillende feitelijke en intentionele elementen een rol spelen bij het bepalen van de gewone verblijfplaats.

Toepasselijk recht
Ook hier is de belangrijkste aanknopingspunt de gewone verblijfplaats van het kind. De rechter past het eigen nationale recht toe.

Erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing
Een beslissing uit een andere EU-lidstaat (behalve Denemarken) wordt erkend en uitvoerbaar verklaard op basis van de Brussel IIbis-Verordening. Voor twee gevallen is de exequatur afgeschaft en is een beslissing uit een andere EU-lidstaat rechtstreeks uitvoerbaar. Voor verdragsstaten van het Kinderbeschermingsverdrag buiten de EU geldt dat verdrag. Bij beide deze instrumenten is het van belang de beste belangen an het kind in acht te nemen in het kader van de uitzondering van de openbare orde. Voor andere landen vallen we terug op de algemene regeling van het WIPR.

Administratieve samenwerking
De Brussel IIbis-Verordening, het Kinderbeschermingsverdrag en het Kinderontvoeringsverdrag bevatten regels over administratieve samenwerking via Centrale Autoriteiten. Voor België is de Centrale Autoriteit gehuisvesd binnen de FOD Justitie.

Internationale kinderontvoering
Het Kinderontvoeringsverdrag van Den Haag bevat een specifieke terugkeerprocedure voor ontvoerde kinderen. Het gaat in de meeste gevallen over een ouder die zijn of haar kind zonder de toestemming van de andere ouder meeneemt naar het buitenland. De Brussel IIbis-Verordening behoudt deze terugkeerrocedure voor intra-EU ontvoeringen, maar scherpt de verplichting aan.


Bron: Thalia KRUGER, "Internationale ouderlijke verantwoordelijkheid", in X, Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Internationaal Privaatrecht, Mechelen, Wolters Kluwer, 1-90 (90 p.)

U kunt de tekst van Thalia Kruger integraal lezen in elektronische vorm via Jura.

Op Jura vindt u meer rechtsleer over internationale kindontvoering.


Gepubliceerd op 21-10-2015

  325