Interferentie tussen alimentatierecht en leefloonregeling

Elisabeth Alofs geeft een inkijk in de raakvlakken tussen het alimentatierecht en de leefloonregeling. Haar bijdrage verscheen op 29 november 2017 in aflevering 371 van het Nieuw juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 29-11-2017

njw-371-cover

Hierbij wordt eerst vanuit socialezekerheidsrechtelijke invalshoek nagegaan in welke mate de leefloonregeling rekening houdt met onderhoudsrechten, resp. plichten van de aanvrager. Vervolgens wordt vanuit familierechtelijke invalshoek gekeken in welke mate het alimentatierecht rekening houdt met het recht van de onderhoudspartijen op een leefloon. De auteur relativeert hierbij de zogenaamde primauteit van de familiale onderhoudsplichten op het leefloon, stelt de incoherenties in de verhouding tussen de maatschappelijke en de familiale solidariteit aan de kaak, en doet een voorstel tot remediëring.


Primauteit van familiale op maatschappelijke solidariteit?

Uit de leefloonregeling blijkt de bedoeling van de wetgever deze regeling subsidiair te maken aan bepaalde familiale onderhoudsverplichtingen. Dit komt expliciet tot uiting via:

  • de aanrekening van genoten onderhoudsgelden in het bestaansmiddelenonderzoek,
  • de facultatieve verplichting voor de aanvrager om voorafgaandelijk zijn rechten te laten gelden op bepaalde onderhoudsgelden,
  • de bevoegdheid van het OCMW om in naam en voor rekening van de aanvrager of in eigen naam bepaalde onderhoudsplichtige personen aan te spreken,
  • de niet-tegenwerpelijkheid aan het OCMW van overeenkomsten inzake onderhoudsgeld.
     

Opmerkelijk – en nefast – hierbij is dat de kring van onderhoudsplichtigen verschilt naargelang de bepaling die het residuaire karakter van de leefloonregeling vormgeeft. Deze situatie leidt tot een ongelijke behandeling in hoofde van de onderhoudsplichtigen van een behoeftig persoon naargelang deze eerst hen aanspreekt, dan wel eerst een leefloon aanvraagt.


Remedie

De vraag rijst naar het nut om per bepaling die het residuaire karakter van de leefloonregeling concretiseert, de kring van geviseerde onderhoudsplichtigen anders te omschrijven. Dit maakt de regeling niet allen nodeloos ingewikkeld, maar geeft bovendien aanleiding tot de in deze bijdrage aangehaalde inconsistenties en potentiële discriminatie. De auteur stelt dan ook voor om voor alle bepalingen in de leefloonregeling dezelfde kring van onderhoudsplichtigen te viseren.

Dit heeft bovendien het voordeel op familierechtelijk vlak voor de alimentatierechter duidelijkheid te scheppen. Door de huidige inconsistenties in de leefloonregeling moet de alimentatierechter nu immers een onderscheid maken naargelang van de onderhoudsafspraak – namelijk al dan niet in de leefloonregeling geviseerd – om het leefloon wel of niet in rekening te brengen bij de begroting van de bijdragemogelijkheden van de onderhoudspartijen.

Meer algemeen wordt door de auteur afgeraden om bij de aanduiding van de onderhoudsplichtigen in de leefloonregeling af te wijken van de kring van personen die in het Burgerlijk Wetboek als onderhoudsplichtig worden aangemerkt. Het komt immers de consistentie van ons rechtstelsel niet ten goede als de sociale wetgever de kring van onderhoudsplichtigen beperkter gaat afbakenen dan de familierechtelijke wetgever in het Burgerlijk Wetboek doet. In die zin creëert de sociale wetgever een ‘parallel’ alimentatierecht, naast dit van het Burgerlijk Wetboek. Deze werkwijze verhindert een coherente verdeling van sociale verantwoordelijkheden tussen het private en het publieke niveau, of met andere woorden, tussen de familie en de maatschappij.

  424