Grondwettelijk Hof vindt termijn voor cassatieberoep in Nieuwe Interneringswet te kort

Het Grondwettelijk Hof laat de nieuwe Interneringswet van 15 mei 2014 nagenoeg intact. Alleen de termijn om cassatieberoep in te stellen, wordt aan de kaak gesteld. 48 uur is veel te kort volgens het Hof en schendt het recht op een eerlijk proces. De bepaling wordt daarom vernietigd.

Laure Lemmens

GwHSlechts 48 uur
De termijn waarbinnen cassatieberoep moet worden ingesteld, is in regel 15 dagen na uitspraak van de bestreden beslissing. In een aantal beperkte gevallen is die termijn aanzienlijk korter. Sinds de inwerkingtreding van de Nieuwe Interneringswet op 1 januari 2016 hebben het openbaar ministerie en de raadsman van de geïnterneerde (veroordeelde) slechts 48 uur de tijd om cassatieberoep in te stellen (te rekenen vanaf de kennisgeving van het vonnis) tegen de beslissingen van de Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij bij de strafuitvoe-ringsrechtbank. Het gaat dan over de beslissingen die de kamer heeft genomen over de gelijktijdige tenuitvoerlegging van een internering en een veroordeling tot een vrijheidsstraf, de toekenning van ene uitgaansvergunning, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht en de invrijheidsstelling op proef.

Onredelijk kort
Volgens de Liga voor Mensenrechten en zijn Franstalige tegenhanger le Ligue des Droits de l’Homme die de zaak voor het Grondwettelijk Hof brachten, is die termijn onredelijk kort. In eerste instantie omdat het instellen cassatieberoep een grondige studie vraagt van de bestreden beslissing, van de wetgeving, van de rechtspraak en de rechtsleer en de middelen die bij het beroep moeten worden aangevoerd. Dit ingewikkeld, technisch onderzoek is volgens hen onmogelijk om rond te krijgen op zo’n korte tijd.
Daarnaast hekelen ze ook de onevenredigheid van de termijn ten opzichte van de rechtspleging in zijn geheel. Sinds de Nieuwe Interneringswet is cassatieberoep immers de enige beroepsmogelijkheid tegen de beslissingen van de Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij. Vroeger kon de geïnterneerde eerst nog terecht bij de Hoge Commissie tot Bescherming van de Maatschappij. Nadien kon tegen de beslissing van de hoge commissie cassatieberoep worden ingesteld.

Vernietigd
Het Grondwettelijk Hof volgt hen in deze redenering. Het Hof stelt uitdrukkelijk dat een termijn van 48 uur uitermate kort is, aangezien ‘de geïnterneerde niet altijd verblijft in een instelling dichtbij de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank waar zijn advocaat het beroep moet indienen’ en ‘ de communicatie met de geïnterneerde moeilijk kan zijn’. Bovendien houdt de termijn geen rekening met ‘de bijzonder procedurele waarborgen die mogelijk vereist zijn om diegene te beschermen die, wegens hun mentale stoornissen, niet volledig bekwaam zijn om voor zichzelf op te treden’. Artikel 79 §1, eerste lid van de Nieuwe Interneringswet van 5 mei 2014 wordt daarom vernietigd.

Niet de eerste keer
Het is trouwens niet de eerste keer dat het Hof de korte termijn voor cassatieberoep terugfluit. De materie werd ook al voor het Hof gebracht na publicatie van de Interneringswet van 2007 . De wetgever had de termijn om cassatieberoep in te stellen toen zelfs teruggebracht tot 24 uur. Onverantwoord oordeelde het Hof toen, waarna de wetgever de termijn opnieuw op 15 dagen bracht. Al moet hierbij gezegd dat de Interneringswet van 2007 door een gebrek aan financiën en systeemfouten nooit ten uitvoer is gebracht.

Overige bepalingen blijven overeind
De overige bepalingen van de Nieuwe Interneringswet blijven overeind. Het Hof ziet dus geen graten in de opgevoerde kritiek met betrekking het statuut van ministerieel geïnterneerden, de beslissing tot internering, de openbaarheid van de procedure, de opnameplicht voor een private instelling, de adviesverlening aan de Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij, het gebrek aan een controle- en sanctiemechanisme wanneer geïnterneerden niet worden opgenomen in een aangepaste inrichting, de bepalingen over de onderhoudsplicht, de interneringsmogelijkheden in de gevangenis, enz.

GwH 18 februari 2016, nr. 22/2016.


Zie ook: Wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen, BS 9 juli 2014.

Gepubliceerd op 19-02-2016

  288