Frauduleuze erkenningen

Patrick Senaeve analyseert het wettelijke kader dat gecreëerd werd om (vaderlijke) erkenningen van kinderen die enkel beogen een verblijfsrechtelijk voordeel toe te kennen, te verhinderen en te straffen. Een wet van 19 september 2017, die op 1 april 2018 in werking getreden is, ligt in de lijn van de wetten die preventieve en repressieve maatregelen genomen hebben tegen de schijnhuwelijken en de schijn-wettelijke samenwoningen.

De titel van deze bijdrage is "De bestrijding van de frauduleuze erkenningen. Commentaar bij de wet van 19 september 2017. Deel I. Civielrechtelijke aspecten". De bijdrage is verschenen in het Tijdschrift voor Familierecht (T.Fam.).

 

Gepubliceerd op 06-06-2018

senaeve-patrick
Patrick Senaeve

De aangifte van de erkenning

Een belangrijke innovatie van de wet is dat voortaan elke erkenning voorafgegaan dient te worden door een aangifte van erkenning en het opmaken door de ambtenaar van de burgerlijke stand van een akte van aangifte van erkenning. Deze werkwijze werd ingevoerd naar analogie van de aangifte van het huwelijk. Het invoeren van dit procédé was noodzakelijk omdat een vast vertrekpunt bepaald diende te worden voor het lopen van de termijn waarbinnen de ambtenaar van de burgerlijke stand het opstellen van de eigenlijke erkenningsakte kan uitstellen.

Van schijnerkenning naar frauduleuze erkenning

In het opschrift van de wet werd ervoor geopteerd te spreken over ‘frauduleuze erkenning’ in plaats van het meer gangbare ‘schijnerkenning’ omdat deze term beter de bedoeling van de wetgever weergeeft, namelijk – enkel – het bestrijden van erkenningen die alleen tot stand komen om de wetgeving inzake het verblijf te omzeilen. Een erkenning die niet overeenstemt met de biologische waarheid en gedaan wordt om de moeder genoegen te doen en die ook als een 'schijnerkenning' betiteld zou kunnen worden, valt niet onder het bereik van de wet.

De weigering om de akte van erkenning op te maken

Voortaan mag en moet de ambtenaar van de burgerlijke stand weigeren de akte van erkenning op te maken als hij vaststelt dat uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van de erkenner kennelijk enkel gericht is op het voor zichzelf, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming voor de erkenning moet geven (= de moeder), verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de vaststelling van een afstammingsband.

Geen eigenlijk verhaal tegen de weigeringsbeslissing mogelijk

In tegenstelling tot wat geldt bij de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand tot huwelijksvoltrekking en bij weigering tot vermelding van de verklaring van wettelijke samenwoning in de bevolkingsregisters, voorziet de wet niet in de mogelijkheid om rechtstreeks tegen deze weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand verhaal aan te tekenen bij de rechtbank. De wet voorziet wel in de mogelijkheid voor de afgewezen aspirant-erkenner om vervolgens een vordering in te stellen tot onderzoek naar het vaderschap. Op die manier wordt de aspirant-erkenner niet de kans ontzegd om de afstammingsband met het kind vastgesteld te zien, en heeft uiteindelijk de rechter het laatste woord.

Evaluatie

Het door de wet van 19 september 2017 ingevoerde systeem is zeker omslachtig, en het legt bijkomende formaliteiten op aan alle personen die een kind willen erkennen, dus ook in de gevallen waarin er onmogelijk sprake kan zijn van een erkenning met louter verblijfsrechtelijke motieven. Het is volgens de auteur evenwel zeer de vraag of een alternatieve regeling die even efficiënt de misbruiken met vaderlijke erkenningen bestrijdt, tot de mogelijkheden behoort.

Het Grondwettelijk Hof zal moeten oordelen of de besproken wet de toetsing aan de grondrechten en in het bijzonder de kinderrechten kan doorstaan, nu tegen de wet een beroep tot vernietiging werd ingesteld.

  352