Familierechtelijk statuut voor draagmoederschap

Ondanks meerdere initiatieven, is draagmoederschap in België niet wettelijk geregeld. Het ontbreken van wetgeving heeft enerzijds tot gevolg dat draagmoederschap in een juridisch vacuüm verkeert, wat leidt tot rechtsonzekerheid. Bovendien betekent het dat er ruimte bestaat om op een bedachtzame wijze een beleid te ontwikkelen ten aanzien van het fenomeen. Liesbet Pluym schreef een boek waarin zij deze problematiek toelicht. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Klik hier om het boek "Een familierechtelijk statuut voor draagmoederschap" van Liesbet Pluym aan te kopen.

DraagmoederschapVooreerst wordt aangetoond dat een permissieve houding aangewezen is tegenover draagmoederschap, omdat een familierechtelijk regeling voor draagmoederschap in België noodzakelijk is, gelet op de belangen van de verschillende betrokkenen. De focus ligt evenwel op de vraag waaruit dit regelgevend kader concreet kan bestaan en wat de fundamenten ervan kunnen zijn.

Om deze onderzoeksvragen te beantwoorden, worden meerdere methoden gebruikt.

In de eerste plaats wordt de klassieke rechtsdogmatiek aangewend door analyse van nationale en internationale bronnen van wetgeving, rechtspraak en rechtsleer.

Ten tweede wordt onderzocht hoe andere rechtsstelsels juridisch reageerden op draagmoederschap en meer specifiek of en, zo ja, hoe de afstammingsband tussen het kind geboren na draagmoederschap en de wensouders in andere landen wordt vastgesteld. De meeste rechtsstelsels die inzake draagmoederschap wetgevend zijn opgetreden, komen aan bod.

Ten derde wordt ook gebruikt gemaakt van de metajuridische literatuur.

Ten slotte is het onontbeerlijk om zicht te krijgen op de praktijk van draagmoederschap in België. Ter aanvulling en vervollediging van vorige onderzoeken die de medische praktijk al deels in beeld brengen, werd een eigen veldonderzoek opgezet. Dit geeft een beeld van de procedure die van toepassing is op medisch begeleid draagmoederschap, vóór, tijdens en na de zwangerschap.

De toepassing van deze methoden brengt de auteur tot de conclusie dat een wetgevend ingrijpen moet getuigen van de visie dat draagmoederschap een volwaardige voortplantingstechniek is, met als doel de (juridische) integratie van het kind in het gezin van de wensouders. Ieder van de actoren (draagmoeder, wensouders, donoren, fertiliteitscentrum en overheid) draagt daarbij een reproductieve verantwoordelijkheid. De centrale grondslag van de afstammingsrechtelijke bepalingen met betrekking tot draagmoederschap moet het wensouderschap zelf zijn, uiteraard met ruimte voor een afweging van de belangen van alle betrokkenen. In dit werk wordt een ruim toepassingsgebied voorgestaan, zonder al te veel beperkingen op het vlak van indicaties en profielen van de wens- en draagouders. Dit maakt evenwel ‘gatekeeping’ noodzakelijk, om dramatische uitkomsten te vermijden. Deze gatekeeping kent drie niveau’s:

  • In eerste instantie stelt de auteur voor de wettelijke voorwaarden strikt te bepalen, rekening houdende met praktijkervaring van meerdere fertiliteitscentra.
  • Ten tweede vindt er op het niveau van de fertiliteitscentra ook al een selectie plaats, aangezien zij de betrokken actoren screenen en begeleiden.
  • Een laatste niveau van gatekeeping wordt volgens de auteur best gevormd door een preconceptieve rechterlijke machtiging: vóór de verwekking van het kind wordt het draagmoederschapsdossier voorgelegd aan de familierechtbank.


De rechterlijk fiat om met de procedure tot verwekking van het kind te starten heeft afstammingsrechtelijke gevolgen: de wensouders zijn van rechtswege de juridische ouders van het kind, met als controversieel gevolg dat de draagmoeder geen bedenkrecht krijgt.


Bron: Liesbet PLUYM, Een familierechtelijk statuut voor draagmoederschap, Mechelen, Wolters Kluwer, 2015, 580 p.

Klik hier om het boek "Een familierechtelijk statuut voor draagmoederschap" van Liesbet Pluym aan te kopen.

Op Jura vindt u meer rechtsleer over draagmoederschap.


Gepubliceerd op 09-10-2015

  261