Familie- en jeugdrechtbank: overgangsrecht

TFamPatrick Senaeve en An Bekkers bespreken in aflevering 2014/6 van het Tijdschrift voor Familierecht (T.Fam.) het overgangsrecht aangaande de wet van 30 juli 2013 op de familie- en jeugdrechtbank (WFJRb). Door de inwerkingtreding van deze belangrijke wet (op 1 september 2014) rijzen tal van vragen aangaande het overgangsrecht. De wet van 30 juli 2013 bevat maar enkele artikels aangaande het overgangsrecht, waardoor voor het overige de algemene overgangsbepaling van artikel 3 Ger.W. van toepassing is. Hierna vindt u een samenvatting van deze bijdrage.

Lees het volledige artikel op Jura.

Onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet op de rechterlijke organisatie – [horizontale] bevoegdheidsoverdrachten binnen de rechtbank van eerste aanleg

De WFJRb voorziet in de oprichting van familiekamers in de sectie familie- en jeugdrechtbank van de rechtbank van eerste aanleg en in het hof van beroep. Het betreft aldus een wettelijke regeling waarbij de samenstelling van de hoven van beroep en van de rechtbanken van eerste aanleg wordt gewijzigd, en het is zodoende een wet inzake rechterlijke organisatie. Dergelijke wet dient vanaf haar inwerkingtreding onmiddellijk te worden toegepast ook al is de zaak al hangende voor het gerecht. Indien op 1 september 2014 een bepaalde zaak in een materie die vanaf die datum tot de materiële bevoegdheid van de familierechtbank zal behoren, reeds hangende is voor een andere kamer of rechter binnen de rechtbank van eerste aanleg, namelijk een burgerlijke kamer, een jeugdkamer of de voorzitter, en er op 1 september 2014 in deze zaak nog geen vonnis werd gewezen, zal de zaak met toepassing van artikel 88 §2 Ger.W. worden verwezen naar de familierechtbank. Dezelfde regel is van toepassing op de zaken die op 1 september 2014 hangende zijn voor het hof van beroep in materies die vanaf dan tot de materiële bevoegdheid van de familierechtbank behoren.

Onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet op de bevoegdheid

Wat betreft de overdracht van de bevoegdheden tussen de vrederechter en de familierechtbank, temperen de uitzonderingsbepalingen die opgenomen zijn in artikel 3 Ger.W. en in artikel 269 lid 1 WFJRb de regel van de onmiddellijke toepassing. Zolang niet alle rechtsgeldig ingeleide zaken zijn afgehandeld, zal de vrederechter (bijvoorbeeld wat betreft de vorderingen tot dringende voorlopige maatregelen ex artikel 223 BW, de onderhoudsvorderingen) deze zaken verder blijven behandelen.

De verhoging van de bevoegdheid ratione summae van de vrederechter

Ter compensatie van de overheveling van al zijn bevoegdheden inzake familierecht naar de familierechtbank heeft de wetgever er voor geopteerd om de algemene bevoegdheid van de vrederechter te verhogen van 1.860,- euro naar 2.500,- euro. Deze nieuwe regel inzake bevoegdheid is onmiddellijk van toepassing vanaf 1 september 2014, maar heeft geen invloed op de vóór 1 september 2014 rechtsgeldig bij de op dat ogenblik bevoegde rechtbank aanhangig gemaakte rechtsgedingen (= met betrekking tot vorderingen tussen 1.860,01 euro en 2.500,- euro).

Onmiddellijke toepassing van nieuwe wetten op de rechtspleging

In alle op 1 september 2014 in familiale materies hangende zaken, ongeacht of ze worden toebedeeld aan de familierechtbank dan wel toebedeeld blijven aan de vrederechter, moeten vanaf dan de nieuwe regels inzake de rechtspleging toegepast worden. Aldus zijn onder meer de nieuwe regels aangaande de persoonlijke verschijning van partijen, de rechtspleging in spoedeisende zaken, de blijvende saisine en de onderzoeksmaatregelen, het horen van minderjarigen en het familiedossier onmiddellijk toepasselijk op de hangende zaken. Zo ook kan de familierechtbank in een hangende zaak ook onmiddellijk toepassing maken van de nieuwe mogelijkheid om de zaak te verwijzen naar de kamer voor minnelijke schikking.

In de wet van 30 juli 2013 wordt het mechanisme van de blijvende saisine dat reeds bestond voor de voorzitter in het kader van de voorlopige maatregelen en voor de jeugdrechtbank inzake verblijfsregelingen hernomen voor de familierechtbank voor de zaken die worden geacht spoedeisend te zijn. Alle zaken die op 31 augustus 2014 het voorwerp uitmaken van een nog bestaande blijvende saisine voor de jeugdrechtbank resp. voor de voorzitter van de rechtbank, maken met ingang van 1 september 2014 het voorwerp uit van een blijvende saisine voor de familierechtbank. Het toepassingsgebied van de blijvende saisine voor de familierechtbank is evenwel ruimer dan enkel de vorderingen bedoeld in de oude bepalingen.

Door de wet van 30 juli 2013 werd ook de aanleggrens aangepast. Vonnissen van de vrederechter zijn slechts appelabel als de waarde van de vordering waarover uitspraak werd gedaan het bedrag van 1.860,- euro in plaats van voorheen 1.240,- euro overschrijdt. Vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en van de rechtbank van koophandel zijn slechts appelabel als de waarde van de vordering waarover uitspraak werd gedaan het bedrag van 2.500,- euro in plaats van voorheen 1.860,- euro overschrijdt. Inzake de aanleg geldt de wet die toepasselijk was op het ogenblik dat het bestreden vonnis werd gewezen, en niet die welke van toepassing is op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep. Alle vonnissen door de vrederechter gewezen vóór 1 september 2014 en waarbij uitspraak gedaan wordt over een vordering waarvan het bedrag 1.240,- euro overschrijdt blijven ook vanaf 1 september 2014 vatbaar voor hoger beroep ook indien de vordering minder bedraagt dan 1.860,01 euro. Indien het vonnis evenwel wordt uitgesproken vanaf 1 september 2014 is het vonnis niet vatbaar voor hoger beroep als de vordering minder bedraagt dan 1.860,01 euro.

Alle vonnissen door de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel gewezen vóór 1 september 2014 en waarbij uitspraak gedaan wordt over een vordering waarvan het bedrag 1.860,- euro overschrijdt, blijven ook vanaf 1 september 2014 vatbaar voor hoger beroep ook indien de vordering minder bedraagt dan 2.500,01 euro. Indien het vonnis evenwel wordt uitgesproken vanaf 1 september 2014 is het niet vatbaar voor hoger beroep als de vordering minder bedraagt dan 2.500,01 euro.


Bron: An BEKKERS en Patrick SENAEVE, "[Familie- en jeugdrechtbank] Het overgangsrecht van de wet van 30 juli 2013", T.Fam. 2014, afl. 6, 148-155.

De volledige tekst vindt u in het Tijdschrift voor Familierecht (T.Fam.). Klik hier voor meer informatie over het Tijdschrift voor Familierecht (T.Fam.), alsook voor de abonnementsvoorwaarden.

U kunt de tekst van An Bekkers en Patrick Senaeve ook integraal lezen via Jura.

Op Jura vindt u meer rechtsleer over familie- en jeugdrechtbank.



Gepubliceerd op 16-07-2014

  803