De overmachts- en de imprevisieleer: één gespleten persoonlijkheid?

Michaël de Potter de ten Broeck bestudeerde voor het Tijdschrift voor Privaatrecht (TPR 2018, afl. 1-2, 219-322) de overmachtsleer en de imprevisieleer. Hij stelt dat het Belgische recht geen nood heeft aan een van de overmachtsleer onderscheiden imprevisieleer, in tegenstelling tot de plannen van de Belgische wetgever. Een samenvatting van deze bijdrage kunt u hierna lezen.

 

Gepubliceerd op 03-10-2018

Michael de Potter de ten Broeck
Michaël de Potter de ten Broeck

Klassieke onderscheidende toepassingsvoorwaarde

Klassiek zou één toepassingsvoorwaarde overmacht onderscheiden van de imprevisieleer. Een schuldenaar kan zich op overmacht beroepen als hij zijn verbintenis onmogelijk kan uitvoeren, terwijl de imprevisieleer reeds soelaas zou kunnen bieden als die schuldenaar het ernstig moeilijk krijgt om zijn verbintenis uit te voeren. De schuldenaar een uitweg bieden als hij een ernstige bemoeilijking ervaart, zou volgens een traditionele visie een onaanvaardbare aantasting van de rechtszekerheid en de bindende kracht van de overeenkomst vormen.

Pleidooi voor een uniforme behandeling van de twee leerstukken

Op heden lijkt nog weinig over te blijven van die traditionele weigering om de imprevisieleer in rekening te brengen. Uit het recente voorontwerp van wet waarmee de Belgische wetgever hoopt om een boek 'Verbintenissen' in te voegen in een nieuw Burgerlijk Wetboek blijkt immers de wil van de wetgever om zich een goede Europese leerling te tonen door een van de overmachtsleer onderscheiden imprevisieleer voor te stellen.

Hoog tijd dus om de reeds gevoerde nationale en internationale pleidooien voor een uniforme benadering van de overmachts- en imprevisieleer nieuw leven in te blazen. Verschillende auteurs menen dat de schuldenaar die zijn verbintenis in een redelijke zin onmogelijk kan uitvoeren, in een gelijkaardige of eenzelfde situatie verkeert als de schuldenaar die het ernstig moeilijk krijgt om zijn verbintenis uit te voeren. Deze TPR-bijdrage voelt daarom het essentiële onderscheid tussen de overmachts- en de imprevisieleer aan de tand: eerst het onmogelijkheidsvereiste, vervolgens de ernstige bemoeilijking.

Onmogelijkheidsvereiste bij overmacht

Uit een doorgedreven analyse van uitspraken van hoven van beroep en lagere rechtbanken van 1900 tot 2015 blijkt dat het onmogelijkheidsvereiste bij overmacht veelal niet zo’n strikte toepassing kent als auteurs traditioneel beweren. De absolute onmogelijkheid op papier verwordt in de praktijk tot een redelijke, menselijke onmogelijkheid. Een redelijke onmogelijkheidsvereiste kan ook het Hof van Cassatie bekoren en vindt aansluiting bij bijvoorbeeld het Engelse of het Duitse recht. De schuldenaar kan zich dan op overmacht beroepen indien het kennelijk onredelijk is om van hem te vereisen dat hij zijn verbintenis in de gewijzigde omstandigheden uitvoert.

Ernstige bemoeilijking bij de imprevisieleer

Bij de imprevisieleer bestaat een keerpunt vanaf waar de schuldenaar het niet louter moeilijk maar wel ernstig moeilijk krijgt om zijn verbintenis uit te voeren. Een rechtsvergelijkend onderzoek wijst uit dat noch één van de vaak gehanteerde formules ‘fundamentele verstoring van het contractueel evenwicht’ of ‘bouleversement de l’économie du contrat’, noch de oorzaak van een verbintenis/overeenkomst, doch wel de goede trouw vorm kan geven aan dit keerpunt. De imprevisieleer komt dan in het vizier zodra de schuldeiser kennelijk onredelijk zou handelen door van de schuldenaar te vereisen dat die zijn verbintenis in de gewijzigde omstandigheden toch uitvoert.

Besluit

Bijgevolg is vast te stellen dat de schuldenaar die onmogelijk zijn verbintenis kan uitvoeren, niet werkelijk in een andere situatie verkeert dan de schuldenaar die het ernstig moeilijk krijgt om zijn verbintenis uit te voeren. Deze vaststelling maakt de weg vrij om de situaties die klassiek aan de imprevisieleer zijn voorbehouden onder het huidige leerstuk van overmacht te brengen, aangezien beide leerstukken dezelfde toepassingsvoorwaarden kennen. Het Belgische recht heeft aldus geen nood aan een van de overmachtsleer onderscheiden imprevisieleer, in tegenstelling tot de plannen van de Belgische wetgever.

  262