Cultuurgoederenrecht: naar een toegenomen restitutieplicht?

In een bijdrage, verschenen in het Tijdschrift voor Privaatrecht (TPR), bespreekt Bert Demarsin vanuit rechtsvergelijkend oogpunt een aantal belangrijke evoluties binnen het cultuurgoederenrecht.

Gepubliceerd op 13-12-2019

1312cultuurgoederen

Zijn onderzoek verduidelijkt hoe heel wat jurisdicties in de voorbije decennia voor kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed verregaande restitutieverplichtingen in het goederenrecht hebben ingeschreven. Als gevolg daarvan zijn de kansen waarover eigenaars tegenwoordig beschikken om de hun ontstolen cultuurgoederen te recupereren in heel wat landen toegenomen. Steeds vaker blijken traditionele goederenrechtelijke leerstukken, zoals de (verkrijgende) verjaring of de bonafide rechtsverkrijging a non domino – die doorgaans van aard zijn de huidige bezitter te beschermen – ten voordele van de oorspronkelijke eigenaar van cultuurgoederen te worden bijgestuurd. Eén en ander geeft als het ware ontstaan aan een cultuurgoederenrecht dat op een aantal treffende punten afwijkt van het gemene goederenrecht.

Klassieke kloof in het goederenrecht

In heel wat jurisdicties op het Europese vasteland blijkt het goederenrecht bestolen eigenaars niet bepaald gunstig gezind, wanneer zij hun goederen uit de handen van een bonafide koper trachten te recupereren. Omwille van klassieke leerstukken, zoals de (verkrijgende) verjaring of de bonafide rechtsverkrijging a non domino, zullen de inspanningen van bestolen eigenaars om restitutie te verkrijgen veelal zonder succes zijn. Dat staat in schril contrast met de houding die common law jurisdicties doorgaans aannemen ten aanzien van hetzelfde recuperatievraagstuk. Het recht blijkt bestolen eigenaars daar beduidend meer kansen te bieden. Aldus tekent zich een tegenstelling af die uitnodigt tot verder rechtsvergelijkend onderzoek: zijn civil law rechtsstelsels de belangen van de bonafide koper steeds meer genegen en kiezen de common law rechtsstelsels inderdaad vooral voor de bescherming van de oorspronkelijke eigenaar?

Van goederenrecht naar cultuurgoederenrecht

Na het recuperatievraagstuk eerst voor het gemeen goederenrecht rechtsvergelijkend te hebben geduid, spitst de bijdrage zich vervolgens toe op de bijzondere positie van het roerend cultureel erfgoed. Ligt het evenwicht tussen de bestolene en de bonafide koper bij gestolen kunst- en cultuurgoederen frequent anders? In zijn bijdrage betoogt Bert Demarsin dat dit inderdaad het geval is. Zo blijken vooral in continentaal-Europese jurisdicties de recuperatiemogelijkheden voor bestolen eigenaars van cultuurgoederen te zijn toegenomen. De auteur besluit dan ook dat de klassieke kloof in het goederenrecht tussen continentaal-Europese en Anglo-Amerikaanse jurisdicties bij revindicatie van gestolen cultuurgoederen een stuk minder groot is en wijst daarvoor op een viertal evoluties.

Vooreerst licht de auteur de impact toe van allerhande nationale maatregelen ter bescherming van het roerend erfgoed en hoe deze de rechtspositie van bonafide kopers gevoelig verzwakken. Vervolgens wijst de auteur op het domeingoederenrecht dat zich evenzeer op het valk van de recuperatiemogelijkheden laat gevoelen. Ook allerhande humanitairrechtelijke restitutie-initiatieven voor geroofd erfgoed blijken de oplossingen uit civil law- en common law-jurisdicties voor de erfgoedsector nog verder naar elkaar toe te drijven. Tot slot duidt de bijdrage de impact van een aantal inter- en supranationale erfgoednormen die stuk voor stuk de internationale afdwingbaarheid van nationale erfgoedmaatregelen doen toenemen.

De auteur sluit zijn bijdrage af met een oproep om de Unesco-Conventie 1970 ook in het Belgische goederenrecht te implementeren. Dit zou België toelaten zijn internationale engagementen na te komen en tegelijk de common law- en civil law-oplossingen voor het koper-eigenaardilemma in de erfgoedsector nog meer doen sporen.

De auteur

demarsin-bert

Bert Demarsin is hoofddocent aan de KU Leuven.

 

 

  457