Bewijsuitsluiting in civiele zaken: rechter, blijf bij de les

Uit De Juristenkrant nr. 410 van 27 mei 2020

Hoe moeten rechters in civiele zaken omgaan met onrechtmatig verkregen bewijs? In zijn doctoraat roept advocaat Jachin Van Doninck rechters op om een gedegen analyse te maken van de toelaatbaarheid van het voorliggende bewijs. ‘Antigoon heeft helemaal nog niet zijn intrede gedaan in het civiele recht.’

Gepubliceerd op 04-06-2020

Ruth Boone
van-doninck

Jachin Van Doninck is al sinds zijn studententijd geïntrigeerd door het vraagstuk van de bewijsuitsluiting bij onrechtmatig verkregen bewijs. Aan de vooravond van het Antigoonarrest van Cassatie schreef hij in een stuk in het RW al hoe hij een sluipende evolutie naar relativering van de strikte regels gewaarwerd. Zijn indruk werd bevestigd met de Antigoonuitspraak van het Hof van 2003. ‘Het Hof heeft toen beslist dat bewijsuitsluiting enkel in welbepaalde omstandigheden verplicht was. Daarop is er in strafzaken een hele ontwikkeling geweest, maar de rechtspraak in civiele zaken bleef een beetje achter. In 2008 heeft Cassatie een arrest gewezen, waarvan velen zeiden dat het de intrede in civiele zaken van Antigoon was, en dat vanaf nu dezelfde criteria golden in civiele zaken. Ik heb het altijd moeilijk gehad met dat idee, ik kon dat niet in dat arrest lezen. (…) Het gaat hier niet om een civiele zaak, maar om een verticale rechtsverhouding tussen overheid en burger. Er is dus geen intrede in civiele zaken van Antigoon. Ik voelde me met dat standpunt wel wat een roepende in de woestijn. Daarom heb ik er mijn doctoraat aan gewijd.’

Ei nog niet gelegd

[…]

‘In de rechtsverhouding tussen burgers onderling heeft Cassatie dus nog altijd zijn ei niet gelegd. De Antigooncriteria zijn niet de juiste om de vraag over het bewijs te beslechten. Die criteria staan haaks op hoe de bewijsvergaring in de horizontale verhouding in zijn werk gaat. In de verticale verhouding is de bewijsvergaring te beschouwen als een proceshandeling. Antigoon biedt daar procedurele antwoorden. In de horizontale rechtsverhouding heb je het over burgers in een onderlinge verhouding. Zij stellen vóór het proces geen proceshandelingen, maar handelingen die beheerst worden door het materiele recht. Bewijsvergaring is daar dus geen zaak van procesrecht, maar van materieel recht. Dat is voor mij het uitgangspunt van waaruit het antwoord moet worden geboden op de vraag hoe bewijs al of niet moet worden gekwalificeerd of gediskwalificeerd. De civiele rechter moet die vraag eerst beantwoorden. Antigoon en de vraag naar de doorwerking in civiele zaken hebben het debat en de blik van de rechter helemaal vertroebeld.’

[…]

'De rechter moet een stap terugzetten en eerst de vraag beantwoorden of het bewijs überhaupt in strijd met het recht is verkregen. Die vraag moet aan de hand van het materieel recht beantwoord worden. Dat kan leiden tot heel fijnmazige antwoorden.’

Bewijshanteringsstandaard

‘In de verticale verhouding is de perspectiefwissel van Cassatie dus verdedigbaar wegens dat algemeen belang, mits degelijke motivering door de rechter. In de horizontale verhouding besluit ik dat er geen nood is aan een perspectiefwissel, mits bijkomende middelen voor de rechter om de vraag over het bewijs te beslechten. Maar in de praktijk is er nu geen eenduidig beeld bij de rechters over hoe daarmee moet worden omgegaan. Ik hoop dat Cassatie vroeg of laat uitsluitsel zal geven en zich daarbij laat inspireren door de bewijshanteringsstandaard die ik de civiele rechtspraak aanreik. Maar ik merk dat ook daar de meningen verdeeld zijn. Het Hof is er duidelijk nog niet uit. Men is zich bewust van de impact die de afkondiging van enige standaard ook in civiele zaken zou hebben.’

 […]

‘Wat het nieuwe boek 8 betreft: het is een pedagogisch werkstuk, het zal voor velen de gelegenheid zijn om er weer in te duiken en vast te stellen welk een rijkdom aan mogelijkheden er zijn voor de rechter. Maar de auteurs hebben de problematiek van het onrechtmatig verkregen bewijs angstvallig vermeden, zogezegd omdat men wilde wegblijven van het bewijsprocesrecht. Maar ik denk dat dat niet echt blijkt uit het werkstuk. Ik heb het idee dat de Commissie bewijsrecht geen consensus kon vinden, of er geen duidelijk beeld over had.’

 

Jachin Van Doninck, Het lot van onrechtmatig verkregen bewijs. Een grondslagenonderzoek, UGent-VUB, 2020

  320