De advocatenakte

De advocatenakte wordt opgenomen onder de bewijsregels in het nieuw Burgerlijk Wetboek. 

Door Fabrice Mourlon Beernaert & Tom Wera - Advocaten LMBD

Gepubliceerd op 31-08-2020

contract

Zoals reeds aangegeven in ons eerder overzicht omtrent de invoeging van boek 8 "Bewijs" in het nieuw Burgerlijk Wetboek is één van de opvallende nieuwigheden in dat boekdeel de codificatie van de bepalingen met betrekking tot een onderhandse akte die mede wordt ondertekend door de advocaten van de partijen. Dit staat ook wel bekend als de regeling omtrent een “advocatenakte” (de benaming die tevens in de titulatuur van het oorspronkelijke wetsvoorstel ter zake werd gebruikt).

Contreseing

Samengevat is de advocatenakte een onderhandse akte die door de advocaten van al de partijen bij de akte mede ondertekend wordt (de zogenaamde “contreseing”).

Naar vigerend recht liggen de regels inzake een advocatenakte vervat in de Wet van 29 april 2013 betreffende de door de advocaten van de partijen medeondertekende onderhandse akte (BS 3 juni 2013; “Wet van 29 april 2013”) die sedert 13 juni 2013 in werking is.

Vanaf de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW) zullen deze regels te vinden zijn in het artikel 8.23 NBW, die een afzonderlijke onderafdeling 3 “Onderhandse akte die mede wordt ondertekend door de advocaten van de partijen” vormt in afdeling 1 “Bewijs door ondertekend geschrift” onder hoofdstuk 3 “Bewijsmiddelen” van boek 8 “Bewijs”.

Codificatie

De codificatie in het NBW werd tijdens de parlementaire werkzaamheden verantwoord met de vaststelling dat de regels inzake de advocatenakte betrekking hebben op de bewijswaarde van die akte. Als verdere verantwoording wordt aangegeven dat zulke codificatie ook voorkomt in het Franse recht, waarop de Belgische regeling (deels) is geïnspireerd.

Klaarblijkelijk was het vooral de bedoeling van de wetgever om deze regels onveranderd in het NBW te integreren. Een lezing van de tekst van het artikel 8.23 NBW en de parlementaire voorbereiding daarbij leert namelijk dat de inhoud van de regels ongewijzigd is gebleven, met uitzondering van de formele verplichting (uit het huidige artikel 4, derde en vierde lid van de Wet van 29 april 2013) om op elk origineel exemplaar van een advocatenakte te vermelden in hoeveel originele exemplaren de akte is opgemaakt, die niet werd hernomen in het artikel 8.23 NBW. In de parlementaire voorbereiding wordt aan dit verschil geen aandacht besteed. Wellicht werd het hernemen van deze verplichting specifiek voor een advocatenakte overbodig bevonden gezien dezelfde verplichting is opgenomen in het artikel 8.20, derde lid NBW (equivalent van het huidige artikel 1325, derde en vierde lid BW), geldend voor alle onderhandse akten waaronder zodoende ook een advocatenakte.

Rechtszekerheid en voorspelbaarheid

Door de gelijkblijvende inhoud is het artikel 8.23 NBW, steunend op de parlementaire voorbereiding bij de Wet van 29 april 2013, (in theorie) nog steeds bedoeld om op een soepele en relatief eenvoudige manier meer rechtszekerheid en voorspelbaarheid te kunnen bieden bij de uitvoering van overeenkomsten tussen partijen, zulks teneinde geschillen en ook vorderingen bij de rechtbank te voorkomen.

De toekomst zal moeten uitwijzen of de integratie in het artikel 8.23 NBW de bekendheid van de advocatenakte zal vergroten, want tot op heden is – althans naar onze ervaring – de advocatenakte in de rechtspraktijk een eerder zeldzaam verschijnsel te noemen.

In ieder geval vormt de codificatie een goede gelegenheid om de specifieke voorwaarden en de bewijswaarde van een advocatenakte (kort) in herinnering te brengen.

De specifieke voorwaarden om als een advocatenakte in de zin van het artikel 8.23 NBW te worden beschouwd, zijn:

 

  1. Elke partij met een onderscheiden belang dient te worden bijgestaan door een verschillende advocaat (tweede lid van artikel 8.23 NBW);
  2. De advocaten van alle partijen dienen de akte mee te ondertekenen (tweede lid van artikel 8.23 NBW);
  3. De akte dient de vermelding te bevatten: “Door de akte mede te ondertekenen, verklaart de advocaat dat hij de partij of partijen die hij bijstaat, volledig heeft ingelicht over de rechtsgevolgen van die akte” (derde lid van artikel 8.23 NBW);
  4. De akte wordt opgemaakt in ten minste evenveel originele exemplaren als er partijen met een verschillend belang en ondertekenende advocaten zijn, behalve ingeval van een elektronische handtekening (vijfde lid van artikel 8.23 NBW);
  5. In elk origineel moet vermeld worden hoeveel originelen zijn opgemaakt (dit is eigenlijk geen specifieke voorwaarde meer gezien, zoals hoger reeds aangegeven, deze vereiste is opgenomen onder het tweede lid van artikel 8.20 NBW).

Bewijswaarde

De wetgever is van mening dat artikel XX.139 WER een bevestiging inhoudt van artikel 46 Faill.W. en de rechtspraak hieromtrent. Mijns inziens klopt deze opvatting, evenwel met een belangrijk voorbehoud voor de regeling inzake zakelijke rechten.

 

De bewijswaarde van een conform alle bovenvermelde voorwaarden opgestelde akte komt neer op het volledig bewijs van het geschrift en van de handtekening van de bij de akte betrokken partijen, zowel onderling als tegenover hun erfgenamen of rechtverkrijgenden (artikel 8.23, eerste lid NBW).

 

Bijgevolg kan een partij bij een advocatenakte, haar erfgenamen of rechtverkrijgenden, een geschrift of handtekening niet meer ontkennen overeenkomstig artikel 8.19 NBW (huidig artikel 1323 BW), maar zij kan desbetreffend wel nog een valsheidsprocedure in burgerlijke zaken inleiden op grond van de artikelen 895 tot en met 914 van het Gerechtelijk Wetboek.

 

Het volledig bewijs van de advocatenakte betreft evenwel enkel het geschrift en de handtekening, niet de inhoud en de datum. Wat betreft de inhoud en datum van de akte, heeft de advocatenakte als uitgangspunt dezelfde bewijswaarde als een gewone onderhandse akte.

 

Niettemin lijkt het voor een partij bij een advocatenakte, mede door de verplichte verklaring van haar medeondertekenende advocaat dat hij volledig inlichtingen heeft verschaft over de rechtsgevolgen van de akte, moeilijk(er) om zich naderhand nog op een dwaling als wilsgebrek te kunnen beroepen. De juridische inlichtingen die door de aanwezigheid van een advocaat worden gewaarborgd, zorgen er eveneens voor dat op een advocatenakte, in beginsel en op grond van het artikel 8.23, vierde lid NBW, geen bij wet opgelegde handgeschreven vermelding dienen te worden aangebracht (waarbij is te denken aan “gelezen en goedgekeurd”, “goed voor”, e.d.m.).

In tegenstelling tot een notariële akte, geldt de bijzondere bewijswaarde van de advocatenakte niet ten aanzien van derden en vormt de advocatenakte geen uitvoerbare titel. Gelet op de bewoordingen van de wetgever, is de toepassing van de advocatenakte op unilaterale geschriften controversieel.

Op die manier vormt de advocatenakte een soort stap tussen, enerzijds, een gewone onderhandse akte en, anderzijds, een notariële (authentieke) akte.

  151