Wetsontduiking in het privaatrecht en Fraus omnia corrumpit

Gepubliceerd op 09-10-2020

In de Artikelsgewijze Commentaar Bijzondere Overeenkomsten, behandelt Nicolas Van Damme het thema van de wetsontduiking in het privaatrecht. Tevens schrijft hij een commentaartekst over het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit, het verbod dat iemand voordeel zou halen uit zijn bedrieglijk handelen.

Wetsontduiking en wetsontwijking

Wetgeving is het overheidsinstrument bij uitstek om verticale relaties (tussen de overheid en haar onderdanen) enerzijds en horizontale relaties (tussen de onderdanen onderling) anderzijds te reguleren. Wetgeving is dan een bron voor rechtsgevolgen, d.z. juridisch relevante gevolgen van of voor het handelen van rechtssubjecten. Rechtsgevolgen kunnen rechtssubjecten bevoordelen (rechten of aanspraken) of benadelen (verplichtingen). Rechtssubjecten kunnen – hun eigen belang nastrevend – geneigd zijn voordelige rechtsgevolgen te willen bekomen en nadelige rechtsgevolgen te willen ontlopen.

Van wetsontwijking is er dan sprake wanneer een rechtssubject erin slaagt zich buiten de toepassingsvoorwaarden te plaatsen van de rechtsregel die hij wilde vermijden.

De nastreving van dit eigen belang is niet onbegrensd. Wanneer de begrenzing van het eigen belang wordt benaderd vanuit de wil van de (egoïstische) rechtssubjecten om de voordelige en/of de nadelige wettelijke rechtsgevolgen te bekomen resp. te ontlopen wordt steevast het verbod op “wetsontduiking” (FR: Fraude à la loi; DE: Gesetzesumgehung) ingeroepen als deus ex machina. Via dit verbod wordt een halte toegeroepen aan die wil. In tegenstelling tot wat de Franse afdeling van het Hof van Cassatie heeft beslist in een arrest van 14 oktober 2005, is er voor het verbod op wetsontduiking geen  zelfstandig “intentioneel element” (het zgn. “ontduikingsopzet”) vereist.

Hier zijn enkele goede redenen voor:

  • De intentie om een rechtsregel, die men nadelig(er) acht, te ontwijken is immers niet op zich ongeoorloofd. Er bestaat geen verplichting voor de rechtssubjecten om zich binnen het toepassingsgebied van de voor hen meest nadelige rechtsregels te plaatsen.
  • Het maakt niet automatisch een burgerlijke fout uit om zijn eigen belang na te streven via een ontwijkingsoogmerk. Anders zou elke nastreving van een eigen belang steeds een foutieve gedraging uitmaken. Aldus kan bv. de vordering van een schuldeiser tot naleving van een contractuele verbintenis gepaard gaan met een intentionele belangenkrenking van de schuldenaar.
  • Indien, zoals dit quasi unaniem het geval is, wordt aangenomen dat er niets mis is met wetsontwijking (=de vrijheid van de minst belaste of juridisch meest voordelige weg), dan is het onmogelijk om een nuttig onderscheid te maken tussen een ontduikingsopzet dat ongeoorloofd en een ontwijkingsopzet dat geoorloofd is.

Ofwel valt de ontduikingsintentie samen met “het enkele/enige doel om de wet te ontwijken” en bestaan er geen (neven)doelen. Dan is er eigenlijk geen sprake van wetsontwijking maar van simulatie.

Ofwel verschilt het ontduikingsopzet inhoudelijk van het ontwijkingsopzet. Dit houdt in dat de wil om een wet te ontwijken zich onderscheidt van de wil om een wet te ontduiken. In dat geval is het ontduikingsopzet als criterium voor wetsontduiking echter overbodig. Om te weten waaruit dat ontduikingsopzet bestaat moet men eerst weten waaruit de wetsontduiking bestaat. Het opzet verwijst naar het materiële element van de wetontduiking dat dan volstaat. Het ontduikingsopzet is dan zelfs tautologisch of vormt minstens een kringredenering omdat de wetsontduiking op haar beurt zou vereisen dat er een ontduikingsopzet is om van wetsontduiking te kunnen spreken.

Uit het voorgaande volgt dat de wetsontwijking in principe toegelaten is en moet zijn. Dit wordt in het fiscaal recht terecht uitdrukkelijk erkend sinds de bekende “Brepols-rechtspraak” (Cass. 6 juni 1961, Pas. 1961, I, 1082). Dit betekent dat enkel het “materiële element” van het ontduikingsverbod relevant blijft voor de ontduikingskwalificatie. Daarbij wordt algemeen aangenomen dat er sprake is van wetsontduiking wanneer de opgezette constructie ter ontwijking van een rechtsregel strijdig is met de strekking (d.i. de draagwijdte van de rechtsregel na interpretatie) ervan.

Wetsontwijking en Fraus omnia corrumpit

Het voorgaande belet echter niet dat de wetsontwijking (het rechtssubject is er dus in geslaagd zich buiten de toepassingsvoorwaarden van de wet te plaatsen), ongeoorloofd kan zijn. Het is immers mogelijk dat de ontwijking een (bedrieglijke) fout uitmaakt.  

Dit wil zeggen dat het bedrog niet het gevolg is van de ontwijking(sintentie) op zich (dat is op zich immers perfect geoorloofd), maar wel uit de bijzondere omstandigheden van het geval. Het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit (hierna: het beginsel Fraus) verbiedt dat iemand voordeel zou halen uit zijn bedrieglijk handelen. Aangenomen wordt dat het beginsel Fraus de miskenning inhoudt van de algemene zorgvuldigheidsnorm zodat telkens in concreto moet worden nagegaan of er sprake is van een bedrieglijke fout of niet.

In de rechtspraak vinden we enkele voorbeelden van bedrieglijke wetsontwijkingen:

  • Een gekend voorbeeld is de oprichting van een rechtspersoon door een arts om feitelijk te ontkomen aan een beslagprocedure tot invordering van verschuldigde (ontdoken) belastingen ( 19 maart 2004, nr. C.03.0114.F.). De verschuldigde belastingen werden niet betaald door de arts als natuurlijk persoon (belastingontduiking). Als sanctie wordt derdenbeslag toegestaan op zijn erelonen. De oprichting van de vennootschap met als doel de ontduiking feitelijk te bestendigen maakt bedrog uit. Dit is strijdig met de algemene zorgvuldigheidsnorm (foutieve gedraging): van een normale, vooruitziende en voorzichtige belastingplichtige mag worden verwacht dat hij de nodige maatregelen neemt en aanvaardt om zijn verschuldigde belastingen te betalen.
  • De bedrieglijke aanwending van de rechtspersoonlijkheid en het identiteitsverschil tussen de oprichter en de opgerichte rechtspersoon. Wanneer een natuurlijk persoon-oprichter op kennelijk onredelijke wijze dit identiteitsverschil aanwendt (bv. door een kennelijke miskenning van het afgescheiden vermogen), is er mogelijk sprake van misbruik van rechtspersoonlijkheid
  • Bedrieglijk misbruik van zwakzinnigheid van een verkwister en de ontwijking van een toekomstige rechterlijke beslissing tot benoeming gerechtelijk raadsman is eveneens een gekend voorbeeld. In dit geval hadden derden die een nakende benoeming van een gerechtelijk raadsman wensten te omzeilen misbruik gemaakt van de zwakzinnigheid van de verkwister om die benoeming te vroeg af te zijn. Zij zorgden ervoor dat de verkwister nog voor de benoeming van de gerechtelijke raadsman, heel wat goederen vervreemde in hun voordeel ( 7 mei 1896, Pas. 1896, I, 180).

Auteur: Nicolas Van Damme

nicolas-van-damme

Nicolas Van Damme studeerde rechten (2008-2013, magna cum laude) in Kortrijk, Leuven en Toulouse. Zijn masterscriptie over erfdienstbaarheden op het openbaar domein werd verkort gepubliceerd in Jura Falconis naar aanleiding van de Jura Falconis-prijs 2013-2014. Van 2013 tot 2015 was Nicolas advocaat aan de balie van Brussel (Liedekerke Wolters Waelbroeck Kirkpatrick). Hij is sinds 2015 verbonden aan het Instituut voor Contractenrecht (KU Leuven). In het kader van zijn doctoraal onderzoek was Nicolas gastonderzoeker in Genève en nam hij deel aan het Programme in European Private Law for Postgraduates (PEPP) in Münster, Genoa, Leuven en Katowice.

Op 15 oktober 2020 verdedigt hij zijn proefschrift over “Rechtsregelontduiking in het privaatrecht”. Sinds april 2020 is hij als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Contractenrecht (KU Leuven) en het Centre des Recherches Juridiques (Université Grenoble-Alpes). Voor zijn onderzoek in Grenoble ontving Nicolas een reisbeurs van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen (FWO).

  379