Wetenschappelijkheid van de rechtswetenschap

Serge Gutwirth gaat op zoek naar de eigenheid van de rechtswetenschap. Hij onderzoekt aan welke vereisten, voorwaarden, geplogenheden en spelregels het bedrijven van respectievelijk wetenschap en recht moet beantwoorden. Zijn bijdrage verscheen op 1 november 2017 in aflevering 369 van het Nieuw juridisch Weekblad (NjW).

Gepubliceerd op 07-11-2017

Deze bijdrage gaat op zoek naar de eigenheid van de rechtswetenschap. Dat gebeurt niet alleen in het verlengde van bestaande discussies hierover, maar ook en vooral omdat de vraag naar wat de rechtswetenschap tekent een tastbare inzet heeft. Deze betreft namelijk de al dan niet inclusie van publicaties van juristen bij de berekening van de financiering van de universiteiten en de (rechts)faculteiten op basis van onderzoeksoutput. Doel is te toetsen of de daarvoor gebruikte bibliometrische parameters voldoende rekening houden met de karakteristieke eigenschappen van rechtswetenschappelijke publicaties. Zo het VABB terzake een relatieve vooruitgang betekent, blijkt niettemin dat de bibliometrische rekenkunde, zeker in het gebied van de rechtswetenschap, nauwelijks kwaliteitsgaranties biedt, en bijgevolg best zo minimalistisch mogelijk aangewend wordt: enkel als parameter om subsidies te verdelen tussen de universiteiten (en verder misschien tussen faculteiten en vakgroepen).

Om de eigenheid van de rechtswetenschap te duiden, valt de auteur niet terug op epistemologische of methodologische abstracties, maar op respectievelijke beschrijvingen en karakteriseringen van de praktijk van de wetenschap(pen), het recht en ten slotte de rechtswetenschap. Voorbij de loodzware oppositie tussen een wetenschap die ‘feiten en waarheid’ voortbrengt en een recht dat met ‘normen en waarden’ in de weer is, onderzoekt de auteur aan welke vereisten, voorwaarden, geplogenheden en spelregels het bedrijven van respectievelijk wetenschap en recht moet beantwoorden. Op deze wijze wordt inzichtelijk hoe het handelen een juridische of wetenschappelijke signatuur verwerft. Zowel de ene als de andere praktijk zijn immers gekenschetst door een eigen validiteitsregime of –modus, die in de bijdrage uitvoerig worden beschreven.

Vanuit dit perspectief bevinden de mogelijkheden van de ontwikkeling van de rechtswetenschap zich noodgedwongen op het kruispunt van de juridische en de wetenschappelijke praktijken. Om rechtswetenschappelijk te zijn moet het handelen dan ook beantwoorden aan twee validiteitsregimes, dat van de juridische en dat van de wetenschappelijke praktijk. Die regimes moeten op elkaar gearticuleerd zijn, wat maakt de rechtswetenschap dubbel is gebonden.

De kruising tussen recht en wetenschap neemt in de praktijk twee vormen aan. Enerzijds kan het recht het object worden van de wetenschappelijke aandacht vanuit andere disciplines (bijv. de sociologie, psychologie en filosofie). Maar het gaat dan om een wetenschappelijke benadering van recht die niet rechtswetenschappelijk is, want één poot – het behoren tot de juridische praktijk – ontbreekt. Anderzijds kan de kruising wel degelijk een dubbele binding vertonen, en dat is bij uitstek het geval in de doctrine, maar alleen wanneer deze tegelijk bijdraagt aan de productie van recht, als bron daarvan, en ze tot stand komt volgens een wetenschappelijk waarheidsregime. In de bijdrage wordt zulks meer in detail uitgewerkt.

  249