Welke prijs wil de bedrijfsjurist betalen voor advies?

Krijgt de bedrijfsjurist waar voor zijn geld wanneer hij advies van een advocaat inwint? En in hoeverre speelt de prijs een rol bij de keuze van het kantoor waarmee hij samenwerkt? Advocaten en bedrijfsjuristen belichtten beide kanten van het verhaal op het afsluitende debat tijdens de Day of the practice van het Instituut voor bedrijfsjuristen op 27 maart jl.

Gepubliceerd op 05-04-2018

ibj-27-maart-2018

Els Steen (Delhaize) zette met een voorbeeld de toon van de discussie: ‘We berekenden onlangs dat de verhouding tussen interne en externe juridische kosten 50/50 verdeeld waren. Interne kosten zijn alle kosten die niet worden uitgegeven aan advocatenkantoren. Daarin zitten de lonen 13 bedrijfsjuristen voor België en Nederland en alle andere bijkomende kosten, zoals deurwaarders, notariskosten, sandwiches, interim managers van advocatenkantoren, … Externe kosten zijn de facturen van de advocatenkantoren. Uiteindelijk bleek dat 90% van het werk gebeurde door interne resources en 10% door het externe advocatenkantoor. Aangezien de kosten en de facturen 50/50 verdeeld waren, betaalden we dus de helft van ons budget voor 10% van het werk. We zouden voor dat budget een aantal bedrijfsjuristen extra in dienst kunnen nemen, maar zo werkt het niet.’

Hugo Keulers (Lydian): ‘Een groot van het werk dat wordt uitbesteed aan advocatenkantoren omvat ook de pleidooien, die voorbehouden zijn voor advocaten. Daarbij komt ook dat het werk dat wordt uitbesteed dikwijls gaat om een verregaande specialisatie, om een bijzondere expertise die intern niet aanwezig is. Ook dat heeft uiteraard zijn prijs.’

Kristof Roox (Crowell & Moring LLP): ‘Aan de druk op de budgetten zitten twee kanten. Aan de ene kant is er de race to the bottom, waarbij advocatenkantoren tegen elkaar worden uitgespeeld en de prijs zakt. Als we de kwaliteit willen blijven garanderen, moeten we dat absoluut vermijden. Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich een race to the top. Advocaten veranderen van kantoor als ze elders meer betaald worden voor hun expertise. Daardoor gaan de prijzen dan weer stijgen.’

Speelt dat ook bij de bedrijfsjuristen?

Jan Peeters (Stibbe): ‘We moeten anders gaan kijken naar de prijzen. We kunnen immers niet werken met gemiddelde prijzen. We moeten kijken welke type fee het best past bij de vraag. Voor sommige types van dossiers kan je niet elk type van fee vragen, omdat je in sommige zaken het risico en de verantwoordelijkheid verschuift naar de advocaat. Advocaten zijn best bereid om die verantwoordelijkheid op zich te nemen, maar dan moet daar wel de juiste prijs tegenover staan.’

Die problematiek begint stilaan door te sijpelen in de advocatenkantoren. Sommige hebben daarvoor ondertussen een pricing manager in dienst genomen, die precies bekijkt welke soort vergoeding past bij welk dossier.

Dany Stas (Laga): ‘We mogen de discussie niet beperken tot de vraag hoe we onze klanten zo goedkoop mogelijk kunnen helpen. We moeten kijken hoe we hen zo goed mogelijk kunnen helpen en hoe we hen de meest toegevoegde waarde kunnen bieden. In plaats van onze advocaten nog meer bij te scholen, vragen we meer softskills van hen en of ze projectmatig kunnen werken. Softskills spelen een belangrijke rol, zodat we perfect kunnen inschatten wat de cliënt wil.’

Dirk Van Gerven (Nauta Dutilh): ‘Het sleutelwoord is transparantie. Meer en meer advocaten zien in dat ze geen leverancier moeten zijn van de bedrijfsjurist, maar een partner. Advocaten en bedrijfsjuristen moeten elkaar versterken en niet elkaars concurrenten zijn.’

Het panel van het debat bestond uit 3 bedrijfsjuristen (France Delobbe (Femarbel), Els Steen (Delhaize) en Marc Beyens (Engie)) en 7 advocaten (Jan Peeters (Stibbe), Dirk Van Gerven (Nauta Dutilh), Kristof Roox (Crowell & Moring LLP), Danny Stas (Laga), Chris Van Olmen (Van Olmen & Wynant), Marc Vermylen (Loyens & Loeff) en Hugo Keulers (Lydian)).

  474