Vrederechter Carens: 'Verzoeningsbevoegdheid mag fors uitgebreid worden'

Uit De Juristenkrant nr. 394 van 25 september 2019

Vrederechter Ludo Carens uit Westerlo zwaait binnenkort af. In de loop van zijn meer dan 30 dienstjaren is het ambt grondig gewijzigd. Hij blikt terug, maar kijkt ook vooruit: naar de toekomst van het vredegerecht, en naar de opkomst van artificiële intelligentie.

Gepubliceerd op 26-09-2019

Ruth Boone

‘De vrederechter is de verzoener bij uitstek. Artikel 731 Ger. W. biedt een unieke mogelijkheid om zonder kosten tot de oplossing van het geschil te komen. Maar er wordt te weinig gebruik van gemaakt, en dat is spijtig. (…)’

‘Ik pleit ervoor om de bevoegdheden van de vrederechter voor verzoening fors uit te breiden, tot buiten de nu geldende bevoegdheidsregels, in het kader van zijn historische opdracht van verzoener. Nu moeten we steeds binnen onze bevoegdheden blijven en dat is een hinderpaal. Daarenboven zou men de poging tot verzoening veralgemeend kunnen verplichten, met een sanctie voor wie niet wil meedoen.’

ludo-5
(c) Wouter Van Vaerenbergh

Bewindvoering

'Volgens de wet moet de vrederechter ‘bij voorkeur’ een familiaal bewindvoerder aanstellen. Maar soms is het werkelijk onmogelijk om binnen het familiale verband iemand te vinden die de functie van bewindvoerder nog zelfs maar ‘wil’, laat staan ‘kan’ opnemen. Noodgedwongen wordt dan op vraag van iedereen een professional aangesteld.’

 

Artificïele intelligentie

'Iedere beslissing moet op maat zijn en daar is een menselijke rechter voor nodig. Die menselijke rechter past de rechtsregel toe die de wetgever geschreven heeft, maar hij selecteert zowel de toepasselijke wet als de voorgelegde feiten op het ogenblik van de concrete toepassing op een casus, en niet op het ogenblik dat het parlement de wet schrijft. De beslissing over relevante feiten en toepasselijke rechtsregel is dus gekoppeld aan de concrete toepassing op het ogenblik van de beoordeling van de casus. Bij de artificiële-intelligentierechter is dat ontkoppeld en wordt de toepassing van de wet naar voren geschoven, namelijk naar het ogenblik waarop de software gecreëerd of geschreven wordt. Het is bij die creatie van de software door de software-ingenieur dat die laatste keuzes maakt en die initiële softwarekeuzes gaan dan in lengte van de jaren daarna het concrete resultaat bepalen in de voorgelegde casussen, zonder mogelijkheid van actualisatie op het tijdstip van de beoordeling. Het gevolg is dat de menselijke rechter wordt vervangen door de softwarerechter. En dat terwijl de roep op een menselijk recht acuter is dan ooit.’

  581