Raoul Declercq overleden

Raoul DeclercqOp 10 mei 2016 overleed Raoul Declercq. Hij was emeritus advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie en emeritus buitengewoon hoogleraar aan de KU Leuven. Daarnaast was hij auteur van de bijbel van de strafrechtspleging. Twee jaar geleden, op zijn 93e, verscheen nog een nieuwe editie van de ‘Beginselen van de strafrechtspleging’.

Naar aanleiding daarvan had De Juristenkrant toen een gesprek met hem. We laten u hieronder een aantal passages lezen.

(tekst: Annelien Keereman, foto: Elisabeth Broekaert)

[…]


‘Het was 1942 toen ik afstudeerde. Voor substituut moest je toen 21 zijn, en dat was ik, maar er waren geen benoemingen door de oorlog. De krijgsauditeur vroeg mij in ‘44-‘45 als jonge advocaat of ik geen substituut-krijgsauditeur wou worden, maar daar moest je 25 voor zijn. Na de bevrijding heb ik onmiddellijk gevraagd om een stage te mogen doen bij het parket. Maar op 25 moest ik ook nog mijn militaire dienstplicht vervullen, dus heb ik mijn stage moeten onderbreken en werkte ik eerst op het bureau van de commandant. Zo was dat hè, als je jurist was, dan werd je uit de rangen gehaald en moest je op ‘den bureau’ komen werken. En zo las ik op een morgen tijdens mijn legerdienst in de Moniteur dat ik benoemd was. De commandant heeft mij toen moeten laten gaan. Op die manier ben ik dus bij het parket geraakt. Nadien is alles mij in de schoot gevallen, ik ben bevoorrecht geweest, heb nooit moeten solliciteren. Allez, ze vragen je iets en dan moet je wel een briefje naar de Koning schrijven, maar dat is op dat moment een formaliteit.’


[…]


Het enige nadeel van de combinatie, zo geeft hij toe, is het chronisch gebrek aan tijd. Hij kon niet zomaar veertien dagen met vakantie gaan. ‘Al deed ik dat wel natuurlijk. Ik had 7 kinderen, dus als een goede pater familias moest ik wel. Met twee valiezen vol dossiers. Terwijl mijn vrouw met de kinderen ging wandelen, bestudeerde ik dossiers. In 1965 waren we zo op vakantie in Zwitserland. Aan de overkant van de straat kwam er telefoon voor mij: minister van Justitie Pierre Wigny om te vragen of ik zijn kabinetschef wou worden.’ Opnieuw een functie die hem aangeboden wordt en waar hij niets voor moet doen.

[…]


Zoals vakantie voor hem geen ontspanning betekende, verwelkomde hij zijn pensioen ook niet met open armen. ‘Bij de universiteit moest ik al weg op 65, maar hebben ze mij wel gevraagd om nog wat langer te blijven voor een paar vakken, tot mijn opvolger Raf Verstraeten helemaal klaargestoomd was. Bij Cassatie was het gedaan op mijn 70ste. Doordat een collega-magistraat ziek was, ben ik nog zes maanden langer kunnen blijven, maar nadien was het onverbiddelijk afgelopen. Op 9 april ’91 had ik mijn laatste zitting, en de 10e stond ik buiten.’ Hij had het er wel wat moeilijk mee, maar het gaf hem ook meer tijd om zich toe te leggen op zijn boeken, ‘in plaats van in de zon te gaan liggen’.


[…]

Het volledige artikel kunt u hier (pdf uit krant) en hier (online) lezen.

Gepubliceerd op 12-05-2016

  46