Raoul Declercq had geen zin in zijn pensioen

Voor ons zit een kwieke jongeman van 93. Met net nog een nieuw boek uit, vers van de drukpers, is Raoul Declercq ongetwijfeld één van de oudste auteurs van ons land. Als advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie en professor strafvordering aan de KU Leuven heeft hij de theorie altijd gekoppeld aan de praktijk. Zelf had hij zijn carrière niet per se zo gepland. ‘Ze hebben mij dat gevraagd,’ is een zin die vaak terugkomt in ons gesprek.

Annelien Keereman

[Dit Mensen-interview verscheen in 
De Juristenkrant van 28 mei 2014 (nr. 290), het nieuwe boek van Raoul Declercq is de zesde editie van de Beginselen van strafrechtspleging, te vinden in de Kluwer-shop.]


RaoulDeclercq‘Eigenlijk ben ik hiervoor een slecht subject, hoor’, zegt Raoul Declercq als we aan het interview beginnen. Hij is de bescheidenheid zelf. ‘Het ligt niet in mijn karakter’, en dat blijkt inderdaad uit het gesprek. In zijn carrière heeft hij het geschopt tot advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, maar zichzelf daarvoor in het etalageraam zetten, heeft hij nooit gedaan. ‘Ik heb alleen gesolliciteerd om bij het parket te mogen beginnen, voor een vrijwillige en onbetaalde stage.’

Hoe is die rijkgevulde carrière ooit gestart? Waarom is hij aan rechten begonnen? ‘Eigenlijk was het geen roeping. In mijn familie waren er geen juristen. Mijn jeugd heb ik in Aalst doorgebracht, daar was geen rechtbank en daardoor maar een paar advocaten. Na mijn humaniora moest ik iets doen. Geneeskunde was uitgesloten, en ik wilde ook geen ingenieur worden. Rechten was dus een natuurlijke evolutie, maar eigenlijk nooit met een vastomlijnd idee van wat ik ermee zou gaan doen.’ Nadien gaat hij wel aan de balie, ‘maar niet met de bedoeling om daar te blijven’.

Waarom zo’n korte passage? ‘Je moet aanvoelen of je voor het beroep gemaakt bent, en ik merkte al snel dat ik meer zou aarden aan de kant van de magistratuur.’ Dus solliciteert hij bij het parket. ‘Het was 1942 toen ik afstudeerde. Voor substituut moest je toen 21 zijn, en dat was ik, maar er waren geen benoemingen door de oorlog. De krijgsauditeur vroeg mij in ‘44-‘45 als jonge advocaat of ik geen substituut-krijgsauditeur wou worden, maar daar moest je 25 voor zijn. Na de bevrijding heb ik onmiddellijk gevraagd om een stage te mogen doen bij het parket. Maar op 25 moest ik ook nog mijn militaire dienstplicht vervullen, dus heb ik mijn stage moeten onderbreken en werkte ik eerst op het bureau van de commandant. Zo was dat hè, als je jurist was, dan werd je uit de rangen gehaald en moest je op ‘den bureau’ komen werken. En zo las ik op een morgen tijdens mijn legerdienst in de Moniteur dat ik benoemd was. De commandant heeft mij toen moeten laten gaan. Op die manier ben ik dus bij het parket geraakt. Nadien is alles mij in de schoot gevallen, ik ben bevoorrecht geweest, heb nooit moeten solliciteren. Allez, ze vragen je iets en dan moet je wel een briefje naar de Koning schrijven, maar dat is op dat moment een formaliteit.’

Zo is hij ook eerder toevallig als professor aan de KU Leuven verzeild geraakt. ‘Bij het parket zat ik op de afdeling kinderbescherming. Op een dag vroeg de rector van de universiteit, monseigneur Van Waeyenbergh, of ik eens wilde langskomen. Er was een nieuwe prof benoemd, Rubbrecht, en die had te veel vakken. Of ik van hem niet het vak kinderbescherming wou overnemen? Ik heb hem gezegd: ‘Ik vraag niet liever.’ Een jaar later kwam er een Franstalig vak bij: science pénitentiaire. En zo ben ik stap voor stap tot een uitgebreid lessenpakket gekomen.’

De voor de hand liggende vraag is dan: was dat te combineren met het werk voor het parket? ‘In het begin wel. Ik had een voltijdse opdracht, maar naar tijdsbesteding ging dat wel. Toen is Rubbrecht in 1969 onverwacht overleden en heeft men mij gevraagd om strafvordering te geven. In 1969-1970 was er ook juist een hervorming van de studies, waarbij je ook opeens grondige studies en rechtsvergelijkende vakken had. Vanaf dan was het allemaal wel veel. Daarom gebruikte ik voor de grondige studie een hoofdstuk uit mijn basiscursus en dan moesten de studenten van de basiscursus dat niet kennen. Elk jaar opnieuw kon ik een ander thema kiezen.’

CORPS PRÉSENT

Om zo’n thema even aan te snijden: wat vindt hij van het assisenconcept met een volksjury? ‘Ik heb al eerder kleur bekend in een liber amicorum voor Armand Vandeplas. Tussen haakjes, ik heb altijd gezegd dat ze voor mij nooit zo’n lijkrede corps présent moesten maken. Ik geloof zo ook wel dat mijn amici zulke bijdragen kunnen schrijven. Maar dus: assisen is een oudbakken instituut. ‘Het volk’ moet beslissen, maar laat ons niet lachen. Als je een verkoudheid hebt, ga je naar de dokter. Als je een hersenoperatie nodig hebt, ga je dan op de hoek van de straat staan om te vragen of de eerste de beste voorbijganger die wil uitvoeren? Sceptici zullen wel zeggen dat beroepsrechters niet per se zo bekwaam zijn, maar ik denk dat ze er toch iets meer kaas van gegeten hebben omdat ze ervoor gestudeerd hebben. Dat de jury op elk moment de voorzitter kan binnenroepen als ze vragen zouden hebben, is een noodoplossing, daarop kun je geen systeem bouwen.’

Een ander heikel thema dezer dagen is de verruimde minnelijke schikking, beter bekend als de afkoopwet. De burger begrijpt de wet niet. ‘Als je die figuur zuiver bekijkt, is er niets kwaads aan. Maar ik heb die nooit in de praktijk toegepast, dus ik ga daar niet al te veel over zeggen.’ En praktijkervaring was net de basis voor de vakken die hij gaf aan de rechtsfaculteit. ‘Ik zou zelfs durven zeggen dat het een essentiële combinatie is, onontbeerlijk. Voor mij was het dat toch. Er is een wisselwerking. Adolphe Braas van de Universiteit Luik gaf strafvordering zonder enige praktijkervaring te hebben, hij was geen advocaat en geen magistraat. Hoe hij dat heeft klaargespeeld, mag Joost weten.’

Het enige nadeel van de combinatie, zo geeft hij toe, is het chronisch gebrek aan tijd. Hij kon niet zomaar veertien dagen met vakantie gaan. ‘Al deed ik dat wel natuurlijk. Ik had 7 kinderen, dus als een goede pater familias moest ik wel. Met twee valiezen vol dossiers. Terwijl mijn vrouw met de kinderen ging wandelen, bestudeerde ik dossiers. In 1965 waren we zo op vakantie in Zwitserland. Aan de overkant van de straat kwam er telefoon voor mij: minister van Justitie Pierre Wigny om te vragen of ik zijn kabinetschef wou worden.’ Opnieuw een functie die hem aangeboden wordt en waar hij niets voor moet doen.

‘Je kan door de politiek aangevreten worden. Het is moeilijk als magistraat om onafhankelijk genoeg te blijven. Eigenlijk had de minister een vriend van hem als kabinetschef willen hebben, maar bij de magistratuur zeiden ze: ‘Ah nee, als je een magistraat wil, dan moet je hem ook kabinetschef maken’. Wigny was daarover heel eerlijk tegen mij, en dat apprecieerde ik.’ Toch heeft hij zich nooit een partijkaart aangeschaft. Leidde dat als kabinetschef dan niet tot problemen? ‘Ik zal u een anekdote vertellen. In Gent moest een vrederechter benoemd worden. De CVP kwam met een hele delegatie en zei dat ik een bepaalde kandidaat moest benoemen. Maar die kandidaat was niet zo goed en er was een andere die beter was. Dus ik zei tegen die delegatie: ‘Dat zal niet gaan.’ Waarop de delegatie mij waarschuwde dat de CVP tegen de begroting zou stemmen, maar ik hield voet bij stuk. Uiteindelijk is het niet zover gekomen, want toen is de regering gevallen.’

FICHEBAK

Kabinetschef is hij niet lang geweest, zijn carrière bij het parket daarentegen was nog lang niet afgelopen. Na het kabinet gaat hij naar het parket-generaal bij het hof van beroep in Brussel. Enkele jaren jaar later, in ‘75, gaat Victor Detournay weg bij Cassatie. ‘Toen ik op het hof van beroep het bureau van een collega binnenwandelde, zei die me dat ze over mij spraken om Detournay op te volgen. Ik viel uit de lucht. Nadien heb ik inderdaad een brief gekregen om langs te komen.’

Met al die jaren ervaring achter zich, wat is volgens hem de belangrijkste evolutie in het recht tijdens zijn carrière? ‘Om daar echt op te antwoorden ben ik niet dapper genoeg. Ik probeer me niet te wagen op het terrein van de historisch-kritische analyse van de evoluties van het gerecht. Wat me wel opvalt: de bezetting van de verschillende ambten is totaal anders. In 1945 voorzag het kader van het parket in Leuven maar twee substituten, men had pas de benoeming mogelijk gemaakt van drie ‘bijgevoegde’ substituten. Dat is nu niet meer vergelijkbaar.’ En de meest recente gerechtelijke hervorming, wat vindt hij daarvan? ‘Nu de ‘benoeming’ zonder tijdsbeperking van de korpschefs plaats heeft moeten ruimen voor een tijdelijke ‘aanwijzing’ is het gevaar niet denkbeeldig dat de eenheid en ondeelbaarheid van het parket in het gedrang zouden komen. Laat ons hopen dat men de verschillende wettelijke delegatiemogelijkheden zuinig gaat gebruiken.’

Zoals vakantie voor hem geen ontspanning betekende, verwelkomde hij zijn pensioen ook niet met open armen. ‘Bij de universiteit moest ik al weg op 65, maar hebben ze mij wel gevraagd om nog wat langer te blijven voor een paar vakken, tot mijn opvolger Raf Verstraeten helemaal klaargestoomd was. Bij Cassatie was het gedaan op mijn 70ste. Doordat een collega-magistraat ziek was, ben ik nog zes maanden langer kunnen blijven, maar nadien was het onverbiddelijk afgelopen. Op 9 april ’91 had ik mijn laatste zitting, en de 10e stond ik buiten.’

Hij had het er wel wat moeilijk mee, maar het gaf hem ook meer tijd om zich toe te leggen op zijn boeken, ‘in plaats van in de zon te gaan liggen’. Tot vandaag blijft hij actief: zijn nieuwste boek is net verschenen. Een man van 93 die een geactualiseerde versie uitbrengt van de beginselen van de strafrechtspleging, het spreekt tot de verbeelding. Hoe blijft hij up to date met de nieuwe wetgeving, nu hij niet meer in de praktijk staat? ‘Ik heb altijd een grote ‘fichebak’ bijgehouden, met allemaal kaartjes waarop alles staat wat er nieuw verschijnt. Als je dat stelselmatig bijhoudt, is het gewoon een kwestie van aanvullen en aanpassen waar nodig. Als ze je vragen om een editie te updaten en je moet nog beginnen met alles te klasseren, dan gaat dat niet natuurlijk.’

R. DECLERCQ, Beginselen van strafvordering (6e editie), Kluwer, Mechelen, 2014, 1956p.

Dit Mensen-interview verscheen in De Juristenkrant van 28 mei 2014 (nr. 290).

BIOGRAFIE
Naam
Raoul DECLERCQ
°1920
Loopbaan

  • Dr. in de rechten, KU Leuven (1942)
  • Parket eerste aanleg, Leuven (1945-1968)
  • Assistent, KU Leuven (1948)
  • Professor strafvordering, KU Leuven (1969-1990)
  • Kabinetchef minister van Justitie Pierre Wigny (1965-1968)
  • Parket-generaal bij het hof van beroep, Brussel (1968-1975)
  • Advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie (1975-1990)

Gepubliceerd op 02-06-2014

  336